Vakantie, denk je dan, eindelijk rust! En dan begin je te plannen. En voor je het weet, is er geen gaatje meer vrij. Een hele maand vol gepland in een handomdraai. Een maand waarvan ik hier natuurlijk uitvoerig verslag zal doen, als ik tóch nog een gaatje vind.
Archief voor de categorie 'Uit het leven'
Doe aan sport
Gepubliceerd op juni 25, 2008 Literatuur , Schaken , School , Sport , Televisie , Uit het leven , Voor kinderen 4 ReactiesVroeger in de muziekschool leerden we naast noten zingen (en natuurlijk piano spelen) ook soms gewone liedjes. Één van die liedjes ging als volgt:
Ik heb een goed rapport
ik doe aan sport
‘k eet alles van mijn bord
ik doe aan sport
mijn dagen zijn te kort
ik doe aan sport
en als er thuis een keer iets schort
of als de leraar heeft gemord
dan niet gekniesd of niet geknord
ik stort mij in de sport
De sportieve lezer knikt enthousiast wanneer hij dit leest: er zit veel waarheid in dit liedje, denken ze. De minder sportieve lezer zucht, en dreigt al verloren te zijn bij de titel van dit bericht. Voor deze laatste: Proficiat, je bent al tot hier geraakt. Nog een beetje verder en wie weet, morgen trek ook jij misschien je loopschoenen aan.
Vroeger behoorde ik ook tot de niet-sporters. Ik heb nooit gedacht: pff, sporten, niets voor mij. Neen, in tegendeel, ik heb altijd graag gesport. Tenminste, achteraf. Na de LO-les voelde ik mij altijd goed. Ik had dan wel altijd een beetje een hoestje de rest van de dag, maar ik voelde me ook een beetje licht in mijn hoofd, en ik voélde mijn lichaam. Dat vond ik wel leuk.
Niet leuk genoeg blijkbaar om zelf, 100% vrijwillig, op regelmatige basis een beetje te gaan sporten. Puur voor het plezier. Daar had ik de tijd niet voor. Of de knieën. Of ik wilde liever wat langer in mijn bed blijven liggen. Wat langer op de computer zitten. De eerste vijf minuten van de film niet missen. Een partijtje schaken tegen mijn moeder. Mijn boek uitlezen. Je kent het wel.
Vorig jaar in september wilde ik dan toch écht iets doen van sport. Omdat ik 5 dagen op 7 in Gent vertoef, leek het me het beste daar een sport te zoeken. Lang duurde het niet voor ik de ideale sport gevonden had: één keer per week ging ik roeien.

Zalig om op het water te vertoeven, eenden, reigers en andere waterdieren van relatief dichtbij te zien, het water te horen klotsen, het regelmatige ritme van je slagen te voelen, het water te ruiken, de mensen langs het water te bestuderen…
Helaas, in het tweede semester werden de roeitrainingen verlegd naar een dag in de week die mij niet paste. Op zoek naar een andere sport.
Het duurde een tijdje voor ik iets leuks wist, en ik dreigde in mijn oude sportloze leventje te vervallen. Tot een vriendin en ik beslisten om elke week af te spreken op de atletiekpiste en er onze toertjes te lopen.

Nu lopen we al enkele maanden, en het gaat heel goed. Ik heb geleidelijk aan opgebouwd tot de 8 km en die loop ik nu zonder al te veel moeite. Ik word zowaar een beetje sportverslaafd: nu het vakantie is, houd ik het niet op de ene keer in de week. Ik doe elke dag wel iets van sport.
En is dat een sleur? Neen. Sport is leuk! En omdat er zo veel mogelijkheden zijn, is er voor elk wel wat wils. Houd je van ballen? Iedereen kan je wel een handvol sporten opnoemen die wel iets voor jou zouden kunnen zijn: basketbal, voetbal, volleybal, handbal, netbal, tennis, baseball, rugby, squash, hockey, krachtbal, waterpolo,… Ben je niet zo’n ballenmens? Mogelijkheden zat: lopen, fietsen, zwemmen, muurklimmen, paardrijden, roeien, badminton, turnen, judo, surfen, dansen, skaten, springen, boogschieten, schaatsen, wandelen, boksen, zeilen, schermen,… Je kunt er één uit het lijstje kiezen, en kun je niet kiezen, probeer ze dan eens allemaal!

En dat sporten heeft ook nog andere gevolgen: waar mijn uitstelgedrag het vroeger altijd van mijn karakter won, moet het nu af en toe toch eens het onderspit delven, en dat in de vakantie!
En met die vakantie voor de deur (of misschien is ze ook voor jou al een tijdje bezig), is dit het ideale moment om er eens werk van te maken. En wanneer de dagelijkse sleur weer begint, zal je met veel plezier regelmatig ter ontspanning gaan sporten!
Een paar maanden geleden ben ik gezwicht onder de druk van mijn broertje: ik heb het programma WhatPulse op mijn computer geïnstalleerd en heb me aangesloten bij het FOK!-team.
Wat?
WhatPulse is een programma dat je aantal toesten en je aantal muiskliks telt, en de afstand die je met je muis op het scherm hebt afgelegd. Waar dient het voor? Nergens voor. Maar het is wel leuk. Wil je weten welke toets je het meeste typt? Geen probleem: kijk naar je key frequencies en je weet exact hoeveel keer je jouw lievelingstoets ingedrukt hebt. Leuk hé!
En waarom steek je eigenlijk al dat werk in die bachelorpaper of die scriptie? Om punten te krijgen natuurlijk. Maar met WhatPulse heb je er een nieuwe beloning bij: enkele uurtjes hard labeur levert je een heleboel keys op!
Die beloning is natuurlijk des te groter als je je keys niet voor jezelf houdt. En daarom heb ik me bij het FOK!-team aangesloten. Om de 25000 keys (het aantal kies je zelf) stuurt mijn programma mijn toetsenaantal door naar de server, en de dag erna vind ik mezelf dan terug in de statistieken (grootste pulse, hoogste stijger, een belangrijke kaap bereikt, noem maar op!). Zo help ik FOK! om zo hoog mogelijk te scoren in het algemeen klassement, en zelf stijg ik gestaag ook in het individueel klassement. Momenteel sta ik op plaats 630 met 1.534.783 keys. Vandaag ben ik weer 4 plaatsen gestegen doordat ik gisteren 25000 gepulsed heb.
Binnen FOK! zit ik nog in een subteam: België, dat mijn broer opgericht heeft. FOK! is een Nederlands forum, dus de Belgen zijn in de minderheid, maar toch slaan we goed onze slag. We waren met z’n tweetjes begonnen, en nu zijn we al met vijf, waardoor we negende staan in het subteam-klassement!
Wie geïnteresseerd is: hier vind je een gemakkelijk volgbare omschrijving van hoe je het programma kunt installeren en hoe je FOK! kunt vervoegen. Vergeet ook niet om lid te worden van het Belgische subteam! En vooral: voel het yes!-gevoel elke keer dat je gepulsed hebt!
Vrijdag de dertiende - Hoe het echt was
Gepubliceerd op juni 14, 2008 School , Sport , Uit het leven 1 ReactieKinderen voor Kinderen heeft gelijk gekregen - vrijdag de dertiende een rotdag? Lariekoek en apekool!
Veilig en wel ben ik op mijn examen geraakt, mooi een half uur te vroeg, zoals gepland. Nou ja, gepland… Zoals de uren van mijn trein voor mij gepland hadden. Of toch niet helemaal, want eigenlijk kon ik ook een half uurtje later vertrekken, met een P-trein: piekuurtrein. Of tussentrein, als je wilt. Maar dat zou natuurlijk niet slim zijn, want dan ben je heel nipt op tijd, en als je maar met z’n drietjes examen moet doen, en iedereen zit minder dan een kwartier binnen, dan zorg je maar beter dat je wél op tijd bent.
Een half uur te vroeg dus, wat betekende dat ik als eerste binnen mocht. De professor begon vrij stipt om 9 uur, ook zoals gepland. Vroeger hoefde hij van mij niet te beginnen. Er zijn zo van die proffen die een half uur of een kwartier te vroeg beginnen, als ze zien dat er al volk zit. Dat wil ik niet, want ik heb al mijn tijd nodig om te herhalen. Ik ben zo iemand die herhaalt tot de deur opengaat. Niet omdat ik aan het stressen ben (met mijn mp3-speler in mijn oren ben ik de kalmte zelve), maar omdat dat voor mij het beste is. Al wat ik pas nog gezien heb, zit er dubbel zo goed in, in dat kopje van me.
Stipt om 9 uur ging de deur dus open, en de grote wijzer had nog geen 90° in wijzerzin -want daar is het een wijzer voor - gedraaid, of ik stond alweer buiten. Alles was goed gegaan. Ik had mezelf niet op tussentalig taalgebruik betrapt, en ik vermoedde dat de prof dat ook wel niet gedaan zou hebben. Of toch niet te erg. En wát ik gezegd heb, zal hem ook wel niet doen fronsen hebben.
Voor de middag was ik dus alweer thuis. Zonder ongelukken. Ook na de middag liep alles zoals het hoorde. In niets dat ik deed, had ik last van de verdoemde datum. Behalve…

Het voetbal! Gekleed in mijn Frankrijktshirt - voor mijn achttiende verjaardag van mijn vriendinnetjes gekregen, samen met een Franse vlag, waarmee ik helaas niet kon supporteren gisteren omdat ze aan de muur hangt op mijn kot - keek ik naar de match Nederland-Frankrijk, uiteraard hevig duimend voor Les Bleus. Menig lezer uit het land van Oranje zal niet gelukkig zijn als hij dit leest, maar die moeten zich dan maar troosten met het feit dat mijn favoriete ploeg het onderspit moest delven. Met 4-1 nota bene! Vrijdag de dertiende voor de Fransen? Niet echt, want als we eerlijk zijn, moeten we toegeven dat het elftal van onze noorderburen het niveau haalde van een kampioenenploeg. Bij deze beloof ik plechtig, dat als Frankrijk na dinsdag naar huis moet, dat ik dan voor den Ollander supporter. Maar zo ver zijn we nog niet: dinsdag zullen we Italië wel verslaan, en dan werken we ons wereldbekergewijs (voor de goede verstaander betekent dat: steeds beter spelend) naar de finale, alwaar er geen Materazzi zal zijn om vuile dingen te zeggen, noch een Zinédine “Zizou” Zidane om daar met het hoofd een antwoord op te geven. Frankrijk kampioen? We blijven hopen.
Om de zoveel tijd dringt hij zich op, toevallig altijd op de vijfde dag van de week: die vrijdag de 13e. Menig lezer voelt nu de rillingen over zijn rug lopen. Wees voorbereid, want daar is hij weer! Nog twee dagen en hij is in’t land, de lievelingsdag van heksen en weerwolven en al het gespuis dat zich verkneukelt bij het idee anderen te zullen zien lijden.
Nou, toevallig, heel toevallig, valt ruim drieëndertig procent van mijn examens op die verdoemde dag. Gesidder en gebeef van mijnentwege, want er is zo veel dat fout kan lopen op een examendag.

Misschien werken mijn beide wekkers plots niet meer, en overslapen mijn ouders zich ook, zodat ik nog in een diepe slaap verzonken ben terwijl ik eigenlijk al klaarwakker examen moet zitten afleggen.
Misschien loopt mijn wekker trouw op het juiste uur af, maar verslik ik me in mijn tas melk, waardoor die melk mijn mondeling examen-tenue bekladt. Dan sta ik voor de verscheurende keuze: andere kleren aantrekken en de trein missen, of met bemorste kleren mijn kennis gaan verkondigen?
Stel, de melk loopt braaf mijn mond in, ik stap op de fiets en een auto rijdt me omver. Zwaar bebloed en mankend sukkel ik richting Gent, alwaar ik bijna flauwval door het vele bloedverlies. Mijn concentratie is natuurlijk ver te zoeken.

Maar geen nood, misschien mist de auto me wel op een haar na. Aan het station sta ik dan op mijn trein te wachten, wanneer ik hoor dat geen enkele treinbestuurder bereid is me naar de Oost-Vlaamse studentenstad te brengen; onaangekondigd staken ze liever.
Geen onaangekondigde staking, wel iemand die geen zin heeft in examens en vrijdag de dertiende het ideale moment vindt om voor de trein te springen. Mijn trein nota bene! Daar zit ik dan, uren te wachten tot we weer voort kunnen rijden.

Geen springer onderweg, ik ben veilig in Gent aangekomen. Ik wandel van het station naar de Blandijnberg. Dan duurt het niet lang voor je een ladder tegenkomt, dat weet iedereen. Glimlachend loop ik om de ladder heen. Mij krijgen ze niet hoor, niet vandaag! Echter, te veel naar de ladder loenzend, heb ik de kat niet gezien die mijn pad wilde kruisen en waarover ik struikel. Kleur: zwart. Mijn handen geschaafd. Bloed op mijn beige-witte broek.

Gelukkig maar, geen zwarte katten te bespeuren in Gent! Mooi op tijd kom ik op de Blandijn aan, geen stofje op mijn kleren, geen schrammetje op mijn lijf. Gewapend met kennis om aan de prof tentoon te spreiden! Helaas, door te veel over tussentaal te leren, slaag ik er niet meer in om Algemeen Nederlands te spreken. Zo zeer mijn best doend om tussentalige elementen uit mijn taalgebruik te bannen, begin ik in het Frans, het Duits, het Engels, het Chinees (een taal waarvan ik niet wist dat ik die beheerste). Helemaal in de war slaag ik er zelfs niet meer in inhoudelijk correcte dingen te zeggen. Niet dat dat verschil maakt, want de prof begrijpt toch geen woord van mijn gebrabbel…
Neen, eigenlijk geloof ik niet in vrijdag de dertiende. Mijn examen zal goed zijn, of toch zo goed als je dat van mij kan verwachten. Al dat bijgeloof, dat is onzin, dat weten zelfs de kindjes van Kinderen voor Kinderen:
Ik ben vrijdag de dertiende geboren
Voor iedereen een rotdag maar voor mij een feest
Maar dat wil niemand van mij horen
Ze denken dat m’n leven rampzalig is geweest
Lariekoek en apekool
‘t Is voorbij, die week van de goeiendag! En om eerlijk te zijn, ik ben er niet rouwig om. Een leuk initiatief, dat wel, en hopelijk heeft het iets uitgehaald. Hopelijk zijn de mensen massaal vriendelijker geworden. Hopelijk zijn er mensen aan de praat geraakt toen ze elkaar vrolijk goeiendag wensten, en wie weet, misschien is er op dit eigenste moment wel iets moois aan het bloeien uit die ontmoeting! Jaja, we spreken van de liefde! Hopelijk zijn de mensen die 25 of 25 000 gekregen hebben, er blij mee, kopen ze er iets moois mee en hangen ze het niet aan drank of drugs. Druuuuuuuugs! Druuuuuuuuuugs!! Of hoeren. Of…
Maar ik moet opletten met mijn taalgebruik, anders krijg ik bezoekers over de vloer die rare dingen in zoekmachines intypen, en die dan waarschijnlijk teleurgesteld zijn wanneer ze op mijn blog terecht komen. En ik stel niet graag mensen teleur… Ja hoor, ik heb het al nog gezien. Er staat namelijk een “raar” woord op mijn blog, heel onschuldig bedoeld, met een niet zo rare betekenis in een niet zo raar gedicht. Ik besefte het zelf niet eens. Tot ik gisteren dat woord zag staan tussen de zoekmachinetermen die de jullie, lezers, naar mijn blog geleid hadden. Ja, jullie, allerliefste lezers, hadden dat rare woord in een zoekmachine ingetypt en waren dan teleurgesteld op deze blog beland. Even helemaal van de kaart. Ik hé, niet jullie. Jullie misschien ook, maar daar gaat het nu niet om. Je moet maar geen rare woorden in zoekmachines intikken. Dan kom je vast en zeker nog op raardere dingen dan deze blog terecht. Even helemaal overdonderd. Ik ben er al over hoor, nu. En het woord blijft lekker staan.
NAH!
Genoeg gepraat, tijd om te praten. Neen, ‘t is waar, dat zijn niet mijn woorden. Nou, toch wel, want ik spreek ze uit. Al is dat spreken in dit geval schrijven. Typen eigenlijk. Maar ik heb die woorden geleend. Neen, de woorden niet. Het zijn allemaal heel courante woorden, en courante woorden leen je niet, die zijn van iedereen. Van iedereen en niemand. Ik heb de combinatie van die woorden geleend. Citeren noemt men dat. En als je citeert, dan moet je je bron vermelden. Mijn bron is Wim Helsen, in zijn programma dat helaas afgelopen is. Dat is heel belangrijk, dat je je bron vermeldt, leert mijn promotor me. Zeker in een bachelorproef. Of een scriptie volgend jaar. Want die controleren ze op plagiaat. Maar ook zonder controle moet je je bron vermelden. Dat doen wij veel te weinig, iets doen als je er niet op gecontroleerd wordt.
En dat brengt mij naadloos terug bij mijn onderwerp. Goed hé! Je dacht dat ik aan het afwijken was hé, maar niets is minder waar. Alles was onderdeel van het grotere “plan”. Alles uitgewerkt. Tot in de puntjes.
Mijn onderwerp dus. Wel, ík zeg goeiendag aan de mensen, ook zonder controle! Of eigenlijk: alléén zonder controle. En daarom ben ik opgelucht. Opgelucht dat de week van de goeiedag voorbij is. Ik ben van mijn boeien verlost. Ik heb ze afgeworpen en loop weer rustig knikjes en glimlachjes uit te delen.
![]()
Ja, ik durfde niet meer vriendelijk te zijn op straat, vorige week. Bang dat de mensen zouden denken dat ik het voor de wedstrijd deed. Voor het geld. Maar ik doe het niet voor het geld. Ik doe het voor de mensen, want wie weet, kom ik op een dag een mevrouwtje of een meneertje tegen dat het eventjes niet meer ziet zitten. Een mevrouwtje of een meneertje dat de hele dag eenzaam en alleen in z’n huisje opgesloten zit. En dan komt het mevrouwtje of het meneertje eventjes buiten, en dan is er daar een meisje (of een jongedame, of een mevrouw(tje) als het echt moet) dat haar of hem vriendelijk toelacht. En dan is het mevrouwtje of het meneertje heel eventjes blij, en kan het er weer een paar weken tegenaan, daar eenzaam en alleen in haar of zijn huisje.
Men weet nooit.
Ik heb de zon gezien, daarboven in de hemel, de zon gezien, daarboven in de lucht!
Al dagen kriebelt het: ik wil naar buiten! Met plezier heb ik dit weekend enkele uurtjes geleerd, in plaats van aan mijn toch net iets dringendere bachelorproef te werken. Als je kunt kiezen tussen buiten in het zonnetje en binnen aan een warmte gevende laptop, dan is de keuze snel gemaakt.
Dus heb ik dinsdag besloten om vandaag enkele uurtjes in het Zuidpark te gaan werken. Ik had daar enkele weken geleden voor het eerst door gelopen, en ik vond het wel een aantrekkelijke plaats. Toen zat het er echter nog niet vol studenten. Nu wel. Het park is er niet minder aantrekkelijk op geworden, integendeel. Studerende studenten, luilekkerende studenten, genietende studenten. Een cursus in de hand, een stilo in de mond of een drankje in de hand, een ijsje in de mond… verscheidenheid maakt blij!
Ze schijnt voor jou en mij, daarboven in de hemel, voor jou en mij, daarboven in de lucht!
Daar zat ik dan, te werken aan mijn peer-feedback voor Franse taalvaardigheid. In mensentaal: tekstjes te evalueren van een dertigtal medestudenten. Dat dat betekent dat dat dertigtal medestudenten ook mijn tekstje moet evalueren, was eerst een schok; ik had dit tekstje niet geschreven met het oog op openbaarheid. Maar van die schok ben ik al lang hersteld: het zonnetje lonkt!
Het geroezemoes om me heen bracht me in de ideale stemming om poëtisch literaire tekstjes te lezen. De zalige zon zorgde voor dat tikkeltje plezier dat van werken ontspannen maakt. De mini-ratjes op de schouders van mijn toevallige buurman, en even later ook op mijn eigen arm, gaven me de nodige sensatie om van een gewone donderdag een memorabele namiddag te maken. Het sinaasappel-aardbei-ZESTdrankje op weg terug naar mijn kot, was de kers op de taart. De perfectie dicht benaderd.
Na anderhalf uurtje moest ik er dan toch een eind aan maken. De plicht riep. Een bachelorpaper schrijft zichzelf niet. Mijn corpus zal zich ook niet uit zichzelf analyseren. Zinnen zijn geen mensen, die zichzelf vrijwillig binnenstebuiten keren. Helaas, pindakaas! Dan zullen wij ons er maar weer over buigen. We sluiten ons op in ons kamertje, sluiten de zon uit ons leven en zwoegen nog enkele uurtjes. Maar we zijn niet bedroefd, want binnenkort wacht ons de zomervakantie, en hopelijk ook
De zon, de zon, de zon!
Als je veel werk hebt voor school, en je wilt ook nog wat aan je conditie werken, en daarnaast heb je natuurlijk ook nog zin in ontspanning, dan heb je vooral nood aan één ingrediënt: KARAKTER. Maar laat dat nu net zo moeilijk zijn, karakter hebben. Het houdt nooit op. Als je op een bepaald moment zin hebt om naar een filmpje te kijken, en je slaagt erin om ondanks die zin tóch te blijven werken, dan heb je karakter. Maar als je zin blijft hebben in dat filmpje, dan moet je om de 5 minuten karakter hebben, en een zwak moment is dan niet ver weg. Een uur aan een stuk werken, is dan een groot succes. Vandaar dat ik, als ik af en toe eens mijn uren bijhoud, met kwartiertjes werk. Elk kwartiertje dat ik gewerkt heb, zet ik een kruisje. En ja, af en toe werk ik maar een kwartiertje met de keer!
Wie zijn dan zo de boosdoeners? De vijanden van het karakter?
De televisie, vooral na het avondmaal. En dan vooral de mensen die ook naar de televisie kijken. Behalve op dinsdag- en donderdagavond, dan is het echt de televisie die voor boeman speelt.

De computer, met het internet natuurlijk. De hele dag door. Van ’s morgens vroeg, als je opstaat en de knop van je laptop indrukt, tot ’s avonds laat. Vaak laat je er je slaap voor. En als je zit te studeren of te werken, dan gaan je gedachten steeds weer naar die computer: “Oh, ik ben nog vergeten dit op te zoeken, oh, ik zou wel eens kijken naar die site, oh, zou ik een mail hebben, enzovoort.”
DVD’s. Als je aan de verleiding om naar een filmpje te kijken, toegeeft, dan ben je meteen heel veel tijd kwijt. en ook je zin om te werken is helemaal weg natuurlijk.
En nog zo veel meer. Als je geen zin hebt om te werken, dan is elk excuus goed!
Maar nu zou ik toch beter weer naar mijn bachelorpaper weerkeren. Hij ligt daar zo lief op mij te wachten, maar ja, mijn blog riep mij zo aanlokkelijk…
6u53. Ik word wakker, niet wetende dat het pas 6u53 is. Hoewel ik gisterenavond doodmoe was, ben ik nu klaarwakker. Gewekt door een luid, doordringend en vooral irritant lawaai. Het brandalarm. Het duurt niet lang of ik sta naast mijn bed. Ik weet dat het waarschijnlijk loos alarm is, in die drie jaar hier op kot heb ik het al nog eens meegemaakt. Maar toch, ik moet naar beneden. Voor het geval dat het dit keer toch echt is. En ook omdat het lawaai enkel buiten te verduren is.
Ik kom op de gang, als eerste. Ik ben de gang nog niet uit, of nog twee deuren gaan open. Slaperige gezichten. “Zou het echt zijn? Moeten we nu naar beneden?” Ik open de deur naar de traphal. Rook. Veel witte rook. De deur weer dicht. “Ja, ‘t is echt, heel de traphal rookt.” Mensen druppelen onze gang binnen. Uit hun kamer, maar ook van de andere verdiepingen. Ze durven niet door het rookstuk heen naar buiten. “Is er hier geen nooduitgang, op de tweede verdieping?” Niets te zien…

Uiteindelijk zoeken we ons toch een doortocht door de rook. Ik had immers al iemand naar beneden zien gaan, de eerste keer dat ik de deur opende. Aangezien die jongen nog niet terug was, en we hem niet horen roepen hadden, zou de weg naar buiten wel vrij veilig zijn. In elk geval veiliger dan boven te blijven, in een brandend gebouw.
Stapvoets naar beneden. Veel te traag, maar we zien geen steek. Telkens als ik mijn mond opendoe om adem te halen, pijnlijke steken in mijn keel. Ik gewaar ook een slechte smaak.
Eindelijk beneden. In de hal liggen twee leeggespoten brandblusapparaten. Het begint ons te dagen: gewoon een smerige grap van een paar lolbroeken met een stuk in hun kraag. Toch blijven we buiten staan, niet helemaal zeker. Het volk stroomt toe. Voor het eerst zie ik zo veel van mijn kotgenoten samen. Jammer dat ik mijn lenzen niet inheb.

Na tien minuten horen we sirenes. De mug. Van de andere kant komen de brandweerwagens ook toe. Drie in totaal. En ook nog een ziekenwagen. De brandweerlui stappen uit, groeten elkaar met een handdruk, en staan lummelend naar ons kot te kijken. Ook zij hebben door dat er hier niet veel werk voor hen zal zijn. Één brandweerman speurt het hele kot af, brengt het officiële “niets aan de hand”, en de brandweerwagens druipen af, evenals de 100. Enkel een groepje politieagenten, dat uit het niets lijkt te komen, blijft over.
Het meisje dat gebeld heeft, moet een verklaring afleggen, de rest mag weer naar zijn kamer. Zo zit ik om 7u13 weer veilig op mijn kamer, met enkel keelpijn en een grote nadorst. En een laag “stof” op mijn hoofd, mijn handen en mijn haar.
1 april. “Verzenderkensdag”, weet de Druivelaar ons te vertellen. In mensentaal: “1 apriiiiiil!” En dan eventueel nog een zo raar mogelijk woord dat op apriiiiiiil rijmt er achteraan: kikkerdril, kippenbil, dikke bil… Wat je maar wilt. Of niet wilt.

1 april is niet zo mijn ding. Meestal heb ik er geen zin in om mijn kop te breken op een grappige misleiding, en nog veel minder zin heb ik erin om zelf beetgenomen te worden. Zeker vandaag niet.
Eigenlijk vind ik 1 april een dag voor de kindjes. Een bende op hol geslagen lagere-schoolkinderen die luid lachend plannetjes verzinnen om de mensen eens goed beet te nemen. Wat dan meestal uitdraait op giechelend een telefoonnummer draaien, de adrenaline in je lichaam te voelen pompen als er opgenomen wordt, en dan één of andere scheve zin te mompelen voor je gierend van het lachen de hoorn weer op het toestel gooit.

Één keer hadden mijn vriendinnen en ik een groot plan bedacht: we zouden ’s morgens vroeg naar school komen, allemaal een paar rollen wc-papier meebrengen, naar boven glippen tijdens de ochtendspeeltijd (elk via een andere trap, zodat het niet te veel zou opvallen) en ons klaslokaal met dat toiletpapier “versieren”. We zouden nog wel een paar onschuldige dingen doen, maar ik weet niet precies meer wat.
Het plan begon goed: we waren mooi op tijd op school, gewapend met onze rollen. We splitsen en zochten nonchalant elk onze trap op. Daar aangekomen zagen we echter onze aprilvis in het water vallen. Elke trap werd bewaakt door een leerkracht. Orders van de directrice: geen geintjes in mijn school!

Sindsdien vind ik dus niets meer aan 1 april. Zoveel moeite voor een grap, en dan zorgen die stomme volwassenen ervoor dat je hen niet eens kúnt verschalken…
1 keer was ik echter zelf slachtoffer van een aprilgrap. Mijn moeder was de gelukkige die mij beet wist te nemen. Ik was denk ik 10 jaar, en een heel verlegen meisje. Ik durfde nooit iemand aan te spreken, al helemaal niet als ik hen iets moest vragen. Zelfs de juffrouw op school durfde ik niets te vragen. Zelfs de altijd jolige buurman niet. Het is die buurman die in mijn mama’s grap betrokken werd:

Ze was een taart aan het bakken, mijn moeder. Waarschijnlijk voor een verjaardagsfeestje of zo. Plots bleek ze iets te kort te hebben: een zakje claustrofobie. Of ik er om wilde gaan bij de buren. Tot haar uiterste verbazing trok ik mijn stoute schoenen aan en ging ik aanbellen. Ik dacht dat “een zakje claustrofobie” een zakje gelatine was, al wist ik toen nog niet hoe dat heette. Beteuterd keerde ik terug naar huis met een vuilzak in mijn handen. Ik wist dat ik het verkeerde meegekregen had, maar ik had de buurman niet durven zeggen dat het dat niet was. Lachend legde mijn mama me de grap uit. Als beloning (omdat ik het had durven vragen) en ook wel een beetje als troost, kreeg ik een ijsje. Plots vond ik 1 april zo erg nog niet!
