Twee mensen die elkaar heel erg mogen, gewapend met een autootje, een gps, een trotter en informatie van het internet – het ideale recept voor een road trip? Mijn vriendin en ik kozen voor een vijfdaagse in Normandië. De streek van Jeanne D’Arc (heldin van de Fransen), van D-Day (trekpleister voor Amerikanen) en van de Mont-Saint-Michel (waar Chinezen lustig foto’s trekken). En wij daartussen.
Na een leuke citytrip in Rouen brengt dag 2 ons alweer een druk gevuld programma. Uiteindelijk zal een nieuw ontdekt fenomeen (het “zomeruur”) onze plannen danig in de war sturen. Gelukkig is er nog Étretat.
Zomeruur
De dag begint, zoals zoveel dagen, met de wekker. Een uur later geraken we eindelijk uit bed. Onbewust geven we hierdoor toe aan een fenomeen dat al gauw de rode draad van onze roadtrip zal worden en wat we grimlachend het zomeruur noemen: steeds als we iets van plan zijn (opstaan, eten, ergens arriveren, ergens vertrekken, tanken,…), slagen we er pas een uur later in om dat ook effectief te doen – en niet steeds is het onze eigen schuld. Maar deze ochtend dus wel; twee wekkers hebben ons verschillende keren tot de orde geroepen, maar tevergeefs. Gelukkig is het ontbijtbuffet lang open.
Falaisekust
In de voormiddag rijden we noordwaarts, richting de volgens onze reisgids sprookjesachtige falaisekust. We parkeren in Étretat, op een gratis parkeerterrein dat toch niet zo gratis blijkt, tien minuutjes stappen van de kust. In Étretat bevinden zich rotsen die zich door hun vorm ook wel eens de “poort tot Normandië” laten noemen. Speciaal, dat wel, maar mij valt toch voornamelijk de auto op: een gat in de rotsen dat doet vermoeden dat iemand (sterk als een reus dan wel) zijn auto de rots in geworpen heeft.
Naar die rotsen kun je natuurlijk geen uren staan kijken, en het regenweer verleidt niet bepaald tot een strandpauze, maar gelukkig nodigt de aanwezigheid van troepjes mensen ons uit tot wandelingen langs de rotswanden. Aangezien we niet kunnen teleporteren en er geen lift voorhanden is in deze relatief natuurlijke omgeving, zien we ons genoodzaakt de volgens ongekende bronnen 263 ongemakkelijke treden te beklimmen.
Wat we boven zien, vraagt om luchtige foto’s. Een verlaten kerkje, een vreemdsoortig monument dat vooral opvalt door zijn Toren van Pisa-allures, en een bende koeien die ons met een onevenaarbare koeienblik aanstaren. En diepe dieptes, waar we volgens waarschuwingsborden niet te dicht bij mogen gaan: afbrokkelingsgevaar. De meeste aanwezigen trekken zich daar niets van aan, en toch zien we brokken noch mensen de dieperik induiken.
Na de foto’s maken we nog een korte wandeling. Je kan hier wellicht uren wandelen, maar daar hebben we de tijd niet voor – we willen nog naar Caen, een bezoek gaan brengen aan le Mémorial.
Rode zaterdag
Dat is natuurlijk buiten het zomeruur gerekend. Dat het net rode – zeg maar gerust donkerrode – zaterdag is in Frankrijk, kan er ook wel wat mee te maken hebben. Vlak voor we de Pont de Normandie overrijden, geeft onze GPS een uur lang aan dat we nog drie kwartier te rijden hebben. Jokkebrok!
Wanneer we eindelijk in Caen aankomen, is het de moeite niet meer om nog op zoek te gaan naar het museum. Het schijnt dat je minstens drie uur moet uittrekken voor een bezoek aan het Mémorial, dus besluiten we onze weekplanning om te gooien en onze zondagvoormiddag aan een museumbezoek te hangen. Tijd dus voor een relaxavond op onze slaapzetel in Caen.



