Archief voor oktober 2009

NaNoWriMo

Gisteren bereikte some exciting news mijn oortjes. November, dames en heren, november is niet alleen de maand waarin Tegan and Sara naar België komen. Het is niet alleen de maand waarin ik van school naar school hots om mijn mentoren te observeren. Het is niet alleen de maand waarop we de doden vereren. Het is niet alleen de maand waarin het West-Vlaams jeugdkampioenschap in mijn thuisstad doorgaat.

November is ook de nationale schrijfmaand. National Novel Writing Month. Een maand waarin mensen aller landen zich engageren om een minstens 50 000 woorden tellend boek te schrijven. En dat lijkt mij nu eens iets voor mij: relatief korte periode, iets van externe druk, een duidelijk doel om naartoe te werken. Ja, misschien doe ik wel mee. Misschien. Want november is ook de maand waarin ik van school naar school hots, waarin ik lessen moet observeren en verslagjes moet schrijven, waarin ik zelf les moet geven en taken moet verbeteren. Dus ik kijk nog even de kat uit de boom voor ik me inschrijf, maar misschien schrijf ik me wel in.

Als nog iemand zich geroepen voelt om zich een maand op te sluiten en te folteren met 50 000 woorden als eindresultaat, dan mag die zich altijd kenbaar maken, want samen staan we sterk.

“Ik haat paddestoelen”

De mensen die naar Man bij Hond kijken kennen intussen zonder twijfel Kabouter Wesley. De mensen met Facebook kunnen er ook moeilijk omheen. Speciaal voor de anderen: verwelkom in uw leven: Kabouter Wesley. Humor die volledig aan mij besteed is, en misschien ook aan u?

Tudutudutuutuututuutum

En omdat ik de mensen die dachten dat dit bericht over paddestoelen ging gaan, niet teleur wil stellen, het weetje van de dag: Wist je dat paddestoelen schimmels zijn? En voor de mensen die dit een wel heel domme opmerking vinden, “omdat iedereen dat toch al weet”: er zijn wel degelijk mensen die dit tot deze week nog niet wisten. En voor de circulariteit van dit bericht: wie haat er nu geen schimmels? Roep nu dus allemaal luid in koor: “Ik haat paddestoelen!”

Vrouwenschaak

In augustus stond de Franse schaakwereld in het teken van het Frans kampioenschap, en meer dan anders waren de ogen er gevestigd op de vrouwen in het tornooi. De National Féminin is van 12 naar 6 deelneemsters geëvolueerd, om de homogeneïteit, en zo ook de kwaliteit, te bevorderen. Een goede zaak, daar lijken de Fransen vrij unaniem over te zijn. Veel minder lovend zijn de reacties op dat nieuwe fenomeen, de Accession Féminin, een reeks die in het leven is geroepen als selectiecriterium: de winnares mag het jaar nadien meespelen in de topreeks. Klinkt als een goed initiatief; het vrouwenschaak wordt gestimuleerd. Iedereen tevreden, zou je denken. Maar dat is zonder de subtoppers gerekend. Waar zij vorig jaar nog (en vaak met succes, denken we maar aan Pauline Guichard, die zich enkele jaren geleden als één van de laagst geklasseerden een weg naar het podium walste in wat het kampioenschap van haar grote doorbraak was, en sindsdien, nu hoger geklasseerd, een vaste waarde op dat podium lijkt.) de kans kregen om zich te meten met de allersterksten in de prestigieuze National F-reeks, worden zij nu gedegradeerd naar een reeks zonder enig prestige, waar velen op neerkijken omdat het “toch maar vrouwen zijn” en waar ze het, plots tegen wil en dank tot favoriet gebombardeerd, tegen zwakkere dames moeten opnemen. Zij worden voor het dilemma geplaatst: spelen ze, gelokt door kost en inwoon, een niet-uitdagend tornooi met kans op plaatsing en een fikse som geld (het prijzengeld van de Accession F bedraagt maar liefst 2000€, voor een reeks van 12 speelsters), of kiezen ze voor de Open A-reeks, volledig op eigen kosten, met heel wat minder kansen maar met meer kwalitatieve partijen? Ik ben heel blij om te zien dat heel wat subtoppers hun kapitalistische idealen aan de kant geschoven hebben en voor de tweede optie gekozen hebben. En dat ze in die A-reeks toch op de hoogste borden meespeelden.

Eigenlijk is wat zich dit jaar in Frankrijk afspeelt te vergelijken met de vrouwenreeks in het Belgisch Kampioenschap. Een reeks van een belachelijk laag niveau, maar wat is de organisatie trots wanneer de quota gehaald zijn. Inderdaad, voor de mindere goden onder de dames is zo’n tornooi een ideale gelegenheid om ook eens kans te maken op een 50%-score. Maar wat met 1800+ers (want, geven we toe, dat zijn de subtoppers in het Belgische vrouwenschaakwereldje, ook al zijn zij zo’n 400 punten lager geklasseerd dan hun pendanten bij de zuiderburen)? Kiezen zij voor de materiële winst (aanzienlijke geldprijzen, de titel), of voor de kwalitatieve winst (de ervaring die zij opdoen in de open reeks)? Ikzelf ontvluchtte de voorbije jaren dat dilemma en zocht me gewoon een ander tornooi om op dat moment te spelen. Daarom vond ik het leuk om te horen dat de vrouwen dit jaar allen in de open reeks meestreden. Zo krijg je een eerlijke materiële winnares en allemaal kwalitatieve winnaresjes.

Het is moeilijk, ik weet het, om goed te doen. Vrouwen in het schaken, wat moét je ermee? Ze fleuren het schaaktoneel wat op, daarover zijn we het waarschijnlijk allemaal wel eens. We willen ze dus in geen geval kwijt. In tegendeel, er zouden er wel wat meer mogen zijn. En dát is wat organisatoren proberen te bereiken door aparte vrouwentornooien in te voeren en door speciale prijzen voor rokkendragers uit te delen. Die prijzen zijn inderdaad een goede stimulans, en er zijn wel degelijk meisjes die doordat zij de beste zijn/kunnen zijn, het schaken verkiezen boven hun andere hobby, die zij misschien objectief gezien wel even leuk vinden – als je objectiviteit en leuk vinden überhaupt al in één zin kunt vernoemen. Als ik er even bij stilsta, ben ik zelf misschien wel één van die meisjes. Ik herinner mij een periode dat ik het schaakspel niet zo interessant meer vond – ik had het zo’n beetje gehad. De passie die ik sinds een vijftal jaren weer voor de schaaksport voel, want passie is het woord waarmee je dat gevoel moet beschrijven dat zich uit m’n ogen afleest, die als het over schaken gaat, blinken zoals ze daarnaast enkel blinken als ik over mijn geliefde spreek, die in de loop der jaren al enkele keren van naam is veranderd, in tegenstelling tot het edele spel dat je dus met een idee gepikt van John Miles, mijn eerste en waarschijnlijk ook mijn laatste liefde kunt noemen, die passie heeft zich in mij genesteld op één van mijn internationale tornooien – ik geloof dat het het wereldkampioenschap op Kreta was. Was ik geen meisje geweest, ik had tot op de dag van vandaag nog nooit een voet op Kreta gezet, laat ons daar eerlijk in zijn.

Het is helaas een mes dat aan twee kanten snijdt. Meisjes worden door die extra prijzen dan misschien gestimuleerd om te blijven spelen, veel minder worden ze erdoor te gestimuleerd om beter te spelen. De beker die ze mee naar huis neemt, zet het meisje al gemakkelijk aan om op haar lauweren te rusten. Ze is bij wijze van spreken blind voor de plaatsen die ze jaar na jaar achteruit bolt in het algemeen klassement; zolang ze op het einde van het tornooi met een beker (voor eerste, tweede of derde plaats) of een geldprijs (ook voor enkele lagere plaatsen) op het podium verschijnt, is ze goed. En ja, slecht is ze niet, relatief gezien, want ze is nu eenmaal eerste, tweede, derde of een beetje lager van België, maar ze laat zich door vaak veel minder getalenteerde jongens voorbijsteken, die wél moeten knokken om het gevoel te hebben dat ze kunnen schaken. Met als gevolg dat je overal hoort waaien dat “meisjes niet kunnen schaken”.

Maar oké, de laatste tijd lijkt de emancipatie zich ook in het schaken door te zetten. We kunnen moeilijk ontkennen dat Eva Baekelant wel met de jongenstop meegroeit, en met haar een hele generatie meisjes, die het immers tegen haar op moeten nemen om de prijs van eerste meisje te bemachtigen. Maar die generatie is nog jong, en ik vrees dat ik mezelf eerder als realist dan als pessimist moet beschouwen als ik zeg dat dat groepje meisjes dat consequent het bovenste derde van de tabel bevrouwt, nog wel zal uitdunnen. De puberteit staat immers voor de deur…

De puberteit. Één van de redenen waarom vrouwen gemiddeld gezien zwakker zijn dan mannen? In de puberteit ontstaan andere interesses, bezigheden vaak veel aantrekkelijker dan een namiddag of een avond in een duf schaaklokaal. Fuifjes, jongens, nagels lakken. Vriendinnen. Maar natuurlijk, ik hoor het u al denken, jongens hebben ook een puberteit. Dat is geen privilege van die helft van de mensen die met een vlechtje in hun haar geboren zijn. Alleen begint de puberteit bij de oestrogeen-mensen vroeger dan bij het testosterongedeelte van de bevolking. En hoe later de storende factoren in het leven komen, hoe meer kans het schaken al gehad heeft om zich diep in de speler te wortelen. Eens het schaken in het bloed zit, krijg je het er met geen stokken meer uit. Bovendien ben ik van mening dat bij mannen eerder in de aard van het beestje zit om zich 100% te kunnen toeleggen op iets, om als het ware bezeten te zijn. Dit klinkt misschien een beetje uit de lucht gegrepen, maar als we teruggaan naar de oertijd, kunnen we deze stelling gemakkelijk staven: mannen hielden zich bezig met de jacht, en met de jacht alleen, terwijl vrouwen zich met het huishouden bezig hielden. Waar het leven van de man zich tot jagen, paren, eten, drinken en slapen beperkte, was een vrouwenleven met koken, opvoeden, sociale contacten onderhouden, winkelen (a.k.a. eten zoeken aan struiken en bomen), paren, eten, drinken en slapen een stuk veelzijdiger. Hoewel mijn trots feministische kantje moeite heeft om mannen en vrouwen als fundamenteel anders te aanzien, rijst nu toch de vraag: ligt daar het verschil tussen schakers en schaaksters? Wetenschappelijke testen tonen in elk geval aan dat mannen en vrouwen andere delen van de hersenen gebruiken om eenzelfde opdracht te volbrengen. Wat die testen niet uitwijzen, is of dat verschil in nature of in nurture ligt. Dat wil zeggen: is dat verschil de schuld van de jagers/voedselverzamelaars, of van de opvoedkundigen?

Laszlo Polgar, bekend van zijn drie dochters, beweert (en bewijst?) het tweede. Van jongs af aan voedt hij zijn dochters met de schaaklepel, een opvoeding die voor de rest voornamelijk jongens te beurt valt, en daarmee schiet hij duidelijk de hoofdvogel af: Judith, die als jongste van de drie het minst obstakels op haar weg is tegengekomen, schopt het tot de top 10 van de wereld, en ook Susan en Sophia gooien hoge ogen. Susan heeft nochtans veel tegenkanting gekend, als (vaak onwillekeurig, als klein meisje gemanaged door haar vader) voorvechter van evenwaardig vrouwenschaak. Ze heeft jaren moeten vechten voor het recht op thuisonderwijs, werd scheef bekeken omdat ze liever in gemengde tornooien speelde dan in vrouwentornooien…  Waren de omstandigheden iets idealer geweest, flankeerde ze misschien haar zusje wel in de top 10!

Het fenomeen Polgar hoeft natuurlijk geen sluitend bewijs te vormen dat de verschillen tussen mannen en vrouwen overroepen zijn. Mannen en vrouwen vormen een continuüm en de verschillen zijn slechts tendensen. Zo lopen er ook mannen met een hoge stem rond op deze aarde, en mannen met borstjes, net zoals er vrouwen zijn zonder borstjes (een niet nader genoemde Waalse tennisster dankt er de helft van haar bekendheid aan), vrouwen met een heel diepe stem en vrouwen met baardgroei. Is goed kunnen schaken dan de mentale baardgroei van een vrouw? De blindschakers onder ons beleven nu wellicht plezierige momenten bij het zich voorstellen van Judith Polgar met een baard. Ter informatie: in mijn hoofd is het een talibanbaard geworden.

Dus waarom vrouwen gemiddeld gezien minder goed zijn in schaken dan mannen? Ik durf me er niet over uit te spreken. Als zelfs psychologen en neurologen en ander wetenschappelijk gespuis het er niet uit lijken te geraken, waarom zou een klein linguïstje als ik dan pretenderen het antwoord op de vraag over het kip en het ei te kennen? Schoenmaker, blijf bij uw leest!

Maar toch blijft het een beetje steken; als schakende vrouw word je maar al te vaak met de vraag geconfronteerd. Een mooie uitleg die ik dan altijd vermeld, is die dat het aantal vrouwen dat schaakt, veel lager is dan het aantal schakende mannen. En dat het dus logisch is dat er minder kans is op toppers bij de vrouwen. Maar dan rijst de vraag waarom er minder vrouwen zijn in het schaken. En bij die vraag zucht ik diep en teleurgesteld, omdat ik het antwoord niet ken en omdat ik het ook graag anders had gezien.

Maar we laten het niet aan ons hart komen, wij, de vrouwen die het wél aandurven om met de stukken te schuiven. Elk individueel slaan we de stukken van het bord, met één duidelijk doel voor ogen: partij na partij de tegenstander, man of vrouw, te verslaan. Zodat we de zin “vrouwen kunnen niet schaken” nooit ofte nimmer meer hoeven te horen. Emancipatie in de schaakwereld! Maar vrees niet, mijne heren, ook u bent gebaat bij het verbannen van de minderwaardigheid van schakende vrouwen. Ik herinner mij dat ik ooit, per ongeluk, zeg maar, won van een zekere T.M., en dat de arme jongen daar een jaar later nog steeds voor geplaagd werd door zijn clubgenoten. Dankzij de Grote Emancipatiestrijd zal u niet meer hoeven te sidderen en te beven wanneer u voor een vrouw plaats neemt; verliezen van Mieke met een rating van 1728 zal een even grote schande zijn als verliezen van Jan met een rating van 1728. Zeg niet te gauw, het is maar een vrouw!

Kaspar Hauser

Neurenberg, Duitsland – Op pinkstermaandag 1828 strompelt hij blootsvoets de Unschlittplatz op, niet beïnvloed door overmatig drankgebruik, zoals de plaatselijke bevolking in eerste instantie vermoedt, maar slechts het lopen onkundig. Dit feit is de enige zekerheid in het woelige leven van de jongen, van wie zelfs de naam een leugen lijkt, en tevens ook het keerpunt: zestien jaar leefde hij opgesloten in een duistere kelder, maar op deze bewuste pinkstermaandag begint het verhaal van de beroemdste vondeling van Europa… Men noemt hem Kaspar Hauser.

 

 Geroofde prins

De bronnen wijzen in dezelfde richting: Kaspar zou een geroofde prins uit Baden zijn, maar elk bewijs ontbreekt. Deze meest waarschijnlijke van alle ooit geuite hypothesen betreffende deze zaak, is meteen ook de meest onwaarschijnlijke: een hertogin zou in het holst van de nacht een pasgeboren prins geroofd hebben, zonder dat iemand de volgende dag gemerkt heeft dat het doodzieke jongetje in de prinselijke wieg een andere baby was… Maar laat ons ervan uitgaan dat Kaspar inderdaad een geroofde prins was. Het zou in elk geval een groot aantal eigenaardigheden uit zijn gevangenschap verklaren, evenals de latere moord op de jongen.

 Maar we zullen het niet over de al dan niet adellijke afkomst van dit ’Kind van Europa’ hebben, daarover zijn al genoeg zinloze discussies gevoerd. Veel interessanter immers dan het gissen naar het motief voor de misdaad, is de misdaad zelf. Wat is er gebeurd in die kelder? Kan men ook na Kaspars bevrijding nog van een misdaad spreken? En het belangrijkste: welke invloed had dit alles op het slachtoffer?

 Taal

Toen de arme jongen zijn eerste stappen in de ‘normale’ wereld zette, kon hij amper spreken. Hij kende slechts een paar zinnen, samenraapsels van losse fragmenten eigenlijk. Toch leerde hij verbazend snel praten.

Dit bewijst dat de jongen in zijn jonge jaren al in contact gekomen is met taalgebruik, want iemand die in de eerste zes jaar van zijn leven geen contact heeft gehad met taal, zal nooit leren spreken. Een mooi voorbeeld hiervan is Victor, de wilde jongen van Aveyron, die tot zijn twaalfde alleen in de bossen rondgezworven had. Hoeveel moeite zijn opvoeders daarna ook deden, verder dan het begrijpen van enkele woorden is Victor nooit gekomen.

Dan had Kaspar Hauser dus nog geluk, want taal vormt toch een groot aspect van het vormingsproces van de mens. Iemand die de taal onkundig is, heeft zijn leven lang problemen met contact met andere mensen, en kan onmogelijk normaal functioneren in de wereld. Victor, die vóór zijn komst in de mensenwereld nooit contact met mensen had gehad, is zich zijn verdere leven als een dier blijven gedragen. Hij schrikte er niet voor terug om bijvoorbeeld op chique aangelegenheden uit de kleren te gaan en naakt in een boom te klimmen.

Kaspar heeft zoiets nooit gedaan. Ook hij had vóór zijn zestiende geen besef van de menselijke normen, ook hij heeft in zijn jeugdjaren waarschijnlijk nooit een reden gezien om zich aan te kleden, maar mede doordat taal hem niet vreemd was, heeft de jongen zich veel beter aan de menselijke waarden en gebruiken aangepast.

 Speelbal

Dat neemt niet weg dat Kaspar zich een vreemde bleef voelen. Het opgroeiings- en leerproces, dat wij allen in onze jeugdjaren doorlopen hebben, moest hij in een zo kort mogelijke tijd inhalen. Daarbij mag men niet vergeten dat ook voor een jongen die zestien jaar lang van de wereld niet weet, de puberteit rond deze leeftijd begint.

De jongen was geen kind meer, maar volwassen was hij nog lang niet.

Maar zelfs zonder deze identiteitscrisis, want zo zou men het kunnen noemen, werd het de jongen niet gemakkelijk gemaakt. Er werd hevig gespeculeerd over zijn afkomst, wat vrienden en vooral vijanden veroorzaakte, en bij elke hoogstaande familie in de buurt moest en zou de jongen kind aan huis worden. Het hoeft niet gezegd dat dit, voor een jongen die zijn hele leven geïsoleerd heeft doorgebracht, een reusachtige aanpassing moet zijn geweest. Gelukkig raakte Kaspar aan menselijk contact gehecht, het had ook anders kunnen uitdraaien.

Daarenboven was de opvang van de vondeling niet ideaal. In de vijf jaar tussen zijn intrede in Neurenberg en de dag dat hij vermoord werd, werd Kaspar heen en weer geslingerd tussen verschillende, meer of minder welwillende opvoeders, en verschillende daaraan verbonden opvoedingen.

 En dat alles terwijl Kaspar al zo gevoelig was. Bij het horen van het Bijbelse verhaal over Kaïn en Abel begon de jongen spontaan te huilen. Bij de meest geringe kans op geweld, sloeg de angst toe. Aangezien de jongen de morele waarden niet met de paplepel ingevoerd gekregen heeft, bewijst dit dat moreel besef bij de mens aangeboren is.

 Kwaaltjes

Niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk vormde de jarenlange opsluiting een foltering. Op de dag van zijn opduiken mat de toen zestienjarige niet meer dan één meter zesenveertig. Deze groeiachterstand was te wijten aan een extreem eenzijdige voeding: iets anders dan brood en water had de jongen niet gekregen. Een aangepast dieet had een groei van vijf centimeter op enkele weken tijd tot gevolg.

Deze aanpassing in zijn dieet bracht enorme problemen met zich mee. Elke nieuwigheid in zijn voeding werd onthaald met dagenlange buikziekte.

 Aan de wandeltocht die hem naar de Unschlittplatz bracht, had de jongen bloedende voeten overgehouden. Het bleek al gauw dat Kaspar nooit eerder gelopen had, vandaar ook zijn onzekere pas. De kelder waar de vermeende prins in opgesloten had gezeten, was waarschijnlijk zo gering van hoogte, dat de jongen niet eens de kans zou hebben gekregen om, als hij om één of andere reden rechtop had willen staan, dit ook daadwerkelijk te doen.

 Zintuigen

Ook Kaspars zintuiglijke waarnemingen waren beïnvloed door zijn gevangenschap. Doordat de jongen al die jaren op een duistere plaats verbleven had, had hij problemen met het inschatten van  grootte en diepte. Zo dacht hij bijvoorbeeld dat voorwerpen die klein leken van op een afstand, speelgoedjes waren. Ook zijn zin voor esthetiek was daardoor bizar: een landschap vond Kaspar lelijk, muren niet. Toen hij de wereld voor het eerst zag, leek het net een vensterluik vol verf dat vlak voor zijn ogen gehouden werd, zonder perspectief. Door ervaring werden deze nieuwe gewaarwordingen uiteindelijk geordend en langzaam maar zeker verbeterde zijn zicht.

 Kaspars andere zintuigen werkten buitengewoon scherp. Ze waren immers niet afgestompt door het gebruik.

Vooral zijn reukvermogen was onvoorstelbaar. Kaspar was in staat een kerkhof dat hij niet kon zien, op honderdvijftig meter afstand te ruiken, en wanneer een glas wijn in een kamer stond, rook hij dat meteen, zelfs als het in een kast geplaatst was; de geur van twee verschillende soorten wijn maakte de jongen misselijk. Men is er tot heden nog niet in geslaagd dit vermogen door zijn opsluiting te verklaren.

Onbekende geluiden joegen hem angst aan. Toen hij een muziekkapel voorbijtrok, raakte hij zo overstuur dat hij met koorts het bed moest houden.

 Zielenleven

Éénieder is het er mee eens dat, wanneer men mensen ongerechtvaardigd opsluit, dit een misdaad is tegen het menselijke recht op vrijheid. De manier echter, waarop Kaspar Hauser zijn hele jonge leven vastgehouden is, is veel meer dan dat. Het is, zoals de achttiende-eeuwse rechter Feuerbach treffend verwoordde, een voorbeeld van een misdaad tegen het zielenleven van een mens. Al is Kaspar, mede door zijn intellectuele capaciteiten, erin geslaagd om na jarenlange aanpassing een vrij normaal leven te leiden, de lichamelijke en vooral mentale gevolgen van zijn opsluiting vormden een ware foltering.

 Ontwikkelingspsychologie

Ondanks het criminele van de hele zaak, is dit gebeuren een enorme, zij het onvrijwillige hulp in de ontwikkelingspsychologische studie. Uit het verhaal van Kaspar Hauser blijkt namelijk dat een groot deel van de menselijke vaardigheden aangeleerd kan worden. Ook al zijn er andere, meer legale manieren om dit aan te tonen, de hele zaak is toch niet volledig nutteloos gebleken.


Volg je neus,

dan kom je er wel!

a

Jij bent bezoeker

  • 46,037

Ik tel de dagen…

oktober 2009
M D W D V Z Z
« Sep   Nov »
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
262728293031