Enkele maanden geleden besliste ik dat ik wel eens op bouwkamp wilde gaan. Ik bekeek het aanbod van Bouworde, en enkele criteria later had ik mijn kamp gevonden. Ik was niet bereid om ruim 1000 euro op te hoesten om 3 weken iets te gaan doen waar ik niet eens zeker van was dat ik het wel graag zou doen. Europa bleek dus de enige optie. Omdat Frans heel speciaal voor me is, ging mijn oog vooral naar de projecten in het land waarin God leeft als mensen die het heel goed hebben. Één van die projecten werd aangeboden in de vorm van een auti-kamp: 4 mensen met en 4 mensen zonder autismespectrumstoornis vertrekken samen een week op bouwkamp.
Op een bouwkamp wordt er gebouwd, dat klinkt logisch. Wij legden er met z’n allen een terras aan, bestaande uit effen gemaakte grond, een worteldoek, stenen, stenen, stenen, dakpannen die de geiten goed voor ons bewaakt hadden, stenen en grind. En na ons afscheid ook de twee planten die we aan Tim en Jeanine geschonken hebben. Toen dat terras, veel eerder dan verwacht, afgewerkt was, stond ons een zwaardere klus te wachten: er moest een loods gebouwd worden. Niet door ons, dat zou net iets te veel van het goede zijn (wij waren er immers slechts een week), maar wij moesten die loods wel van putten voorzien. Tien putten, die later met beton zouden worden opgevuld, met de hand gegraven (de graafmachine was koppig kapot) in uiterst hard leem met grote stenen doorspekt. De andere meisjes zagen dat klusje niet zo goed zitten en gaven de bibliotheek een beurt, maar ik stortte me vol goede moed op dat karwei. Onder een blakende zon worstelde ik me in enkele uren met pikhouweel, spade en water door 50cmx50cmx50cm leem en stenen, een taak die me deed denken aan de Daltons, aan de dwergen van Sneeuwwitje (Hey Ho, Hey Ho, je krijgt het niet cadeau, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, Hey Ho, Hey Ho Hey Ho Hey Ho) en aan het einde van Robin Hood (de Disneyfilm), maar die me wel op het lijf geschreven was. Dacht ik. Het was de leukste werknamiddag van de week, maar toen ik een onweerachtige nacht later uit mijn tent kroop, protesteerde mijn rechterpols; ik had me een ontsteking gegraven…

Daarna ging het werken veel minder vlot. Mijn rechterhand kon niet veel zware arbeid meer aan, waardoor ik al gauw bij de andere meisjes in de keuken belandde. Gelukkig hadden we maar twee werkdagen (en een vrije dag) meer voor de boeg, dus het afwassen en patatten schillen stak nog niet tegen toen we maandagochtend vaarwel wuifden. Het invallen in het animatieteam zondagmiddag was wel een welkome afwisseling. Samen met de kindjes trok ik op zoek naar een schat, die we na haltes bij het speelpleintje en het dierenverblijf, bij het bos, bij de machinekamer en de sanitaire ruimtes, uiteindelijk bij de kabouterboom vonden.

Niet het werken maakte dit weekje zo speciaal, maar wel de sfeer die er op het domein en in onze groep heerste. Domaine de Puylagorge is een camping (in opbouw) voor gezinnen met kinderen met een beperking. Een beperking, hoe zwaar ook in het dagelijkse leven, lijkt daar helemaal geen beperking, omringd door vrijwilligers die bereid zijn door de moeilijkheden heen te kijken en de mogelijkheden te benutten en uit te breiden: samen met een vrijwilliger in het zwembad, worden de grenzen al gauw verlegd: het krampachtige vastklampen aan de begeleider maakt na enkele dagen plaats voor vrolijk tierend pletsen op het water. Omringd ook door andere kinderen met een andere beperking, en door familieleden van kinderen met een beperking, voor wie een beperking dagelijkse kost is geworden, maar voor wie het ook wel eens leuk is te merken dat zij niet alleen zijn. Te kunnen praten over hun kind. Een verademing ook hun kind enkele uurtjes per dag aan de vrijwilligers te kunnen overlaten, eventjes écht te kunnen genieten van hun vakantie.

Het zou misschien cliché klinken als ik zei dat normaal zijn, daar eerder een beperking was. Meer dan dat, het zou een leugen zijn. Alles was daar normaal. Het syndroom van down? Normaal. Een rolstoel? Normaal. Autisme in al haar vormen? Normaal. Kinderen met een beperking, adolescenten met een verleden, volwassenen met een psychose… Allemaal normaal. Hollanders? Normaal. Hoe contradictorisch dat ook klinkt.

Dat was het domein. Daar waren wij, als groep, na kilometers in het mini-busje (enige trots tekent zich op mijn gezicht als ik zeg dat ik het minibusje twee keer over de périphérique van Parijs gereden heb, met slechts één kleine misrijding en één bijna-botsing op de checklist), aanbeland, elk met ons tentje. Jongeren met een autismespectrumstoornis, ze spraken mij aan voor we vertrokken, maar ze waren nog een raadsel. In die week tijd is het raadsel een klein beetje minder raadselachtig geworden. Jongeren met autisme zijn in de eerste plaats jongeren, mensen met wie je omgaat zoals je met andere mensen omgaat. Natuurlijk is niet alles voor hen even evident als voor ons, en daar houd je dan logischerwijze rekening mee. Je knijpt een oogje dicht wanneer een jongen zich terugtrekt als er onverwachts op de vrije dag geholpen moet worden. Je hebt net iets meer geduld wanneer je een andere jongen er voor de zoveelste keer op wijst dat zijn gedrag ongepast is. Je vergeeft hem net iets vlugger. En een speelse opmerking, een glimlach, een bezorgde blik, een knuffel,… doen je vanbinnen voelen dat je om hen geeft. Om elk van hen, elk op hun eigen manier.
Wat zal ik onthouden van deze week? Waarschijnlijk niet hoe je een terras legt; die informatie zal in de loop der tijden vervagen. Wél wil ik graag de smoggebaren onthouden die één van de kindjes mij in het contact met haar leerde: zwemmen, huis, werken, regen, eten,… Ik zal mij de liefde herinneren, die ik van haar kreeg en die ik ook duidelijk in me voelde bij het spelen met die kindjes. Ik zal niet gemakkelijk de sereniteit vergeten waarin ik en de anders zo drukke J. de laatste avond nog een laatavond-afwas afwerkten. En ook de tonen van ons anti-stresslied (Heist aan Zee, van de nochtans zo door mij gehate, hyperactieve, stresserende Bart Peeters) en van de andere steeds weerkerende liedjes zullen nog wel een tijdje door mijn hoofd blijven galmen.
