Wat doet een mens als hij ongelijk heeft? Meestal: zich van de domme houden, vasthouden aan zijn standpunt. Eventueel er iets ludieks aan knopen. Enkele dagen geleden antwoordde ik in een discussie per mail nog vlug iets onnozels, en liet ik dan maar meteen weten dat ik in mijn bed zou kruipen, zodat ik ten minste kon slapen met het idee dat ik gewonnen had. Onzin natuurlijk, maar een mens krijgt nu eenmaal graag gelijk.
Soms kan je er echter niet onderuit. Dan zit er niets anders op dan eventjes te slikken, een grote hap adem te halen en toe te geven, ja, toe te geven dat je fout zat. Bij deze…
Niet, zoals ik voorspeld had, Marc groet ’s morgens de dingen heeft de Nieuwsbladpoll gewonnen, wel Avondliedeken III van Alice Nahon. Volgens het Nieuwsblad een gedicht dat tot het “Vlaamse collectieve geheugen” behoort. Nog nooit van gehoord. Ik vond het ook niet eens zo mooi.
Intussen heb ik trouwens alle gedichten gevonden: ze stonden allemaal op de site van het Nieuwsblad. Nog iets dat ik moet rechtzetten dus: de gedichten waren wél vindbaar. Natuurlijk daarom dat mijn voorspelling niet uitkwam… Hum. Ik heb ook enkele gedichten ontdekt die ik niet kende (anders kunnen we moeilijk van “ontdekt” spreken, natuurlijk) en wél mooi vond. Omdat het gedichtendag is vandaag, plaats ik ze hieronder. Dat maakt 3 posts met gedichten in een week tijd, dan zitten we wel weer eventjes goed, denk ik. Dit hoeft geen gedichtensite te worden.
Ik zie jou zo – Mark Insingel
Ik zie jou zo
zo moet jij zijn.
Jij moet zo zijn
als ik jou zie.
Zo zie ik jou
als jij moet zijn.
Zo moet jij zijn:
dat ik jou zie.
Uit:Iets, Poëziecentrum Gent, 2007
Gent – Wevelgem – Tom Lanoye
Mocht ik herbeginnen, ik zou het net zo
doen: niet om de poen, maar om die
niewe pakken. Die zo glimmend spannen
om je billen, en om die van elke ploegmaat
in het peloton. Ik zou mijn hele leven
willen trainen, net iets slechter dan de
ander, dan zit ik altijd achteraan,
genietend van de erotiek. Iets anders
wil ik niet. Of toch: in Gent vertrekken
met fanfares en champagne, vendelzwaaiers
en konfetti, als voor een allerlaatste
rit, een feestelijke rouweditie. Dan, nog
maar pas vertrokken, sprint die klotegroep
al weg, ik zit kapot en godverlaten op de
rechte baan als op het slappe koord. Geen
supporter wordt gehoord, geen achterkant
van renners nog gezien. Een paar keer
vallen bovendien. Misschien is herbeginnen
ook dan mogelijk, maar ik zou precies
hetzelfde doen: riempjes dicht en trappen
maar, wie houdt hem tegen, wie onderwijst
hem schade en fatsoen, wie haalt hem weg
van een schitterende zege, de zegen van een
stevig rennerszadel? O Grote Wielergod,
O Sister Brainstorm, heb genade met
uw gade. Neem van zijn hand bezit en
leid zijn fiets: hij is op weg naar
Wevelgem, hij is op weg naar niets.
Uit: Gent-Wevelgem, eigen beheer, 1982.
