Ongeveer één keer per maand , op een interclubzondag, zit ik eens op de trein Kortrijk-Brugge, en dat was vandaag weer het geval. Het is nog zo’n hele oude trein, één met donkergroene of donkerblauwe zetels en met heel onhandige bagagerekken, of hoe die dingen boven je hoofd ook mogen heten. Op de trein zit ik liefst op een zetel met een tafeltje, zo’n vierpersoonshoekje. Daar zit ik dan het liefst alleen (behalve als ik in gezelschap ben natuurlijk), maar ik heb er niets op tegen als een mooie creatuur mijn hoekje komt vullen. Helaas zijn het vaak creeps die mij tijdens mijn treinrit komen vergezellen. Zo ook vandaag.
Ik was aan het lezen, een dossier over Valentine Goby en haar boek Qui touche à mon corps je le tue, waarover ze volgende week donderdag komt spreken in Gent. Het boek gaat, let op het ongelooflijke toeval, over abortus. Doordat ik aan het lezen was, zag ik de man die in Torhout de trein op stapte slechts vanuit mijn ooghoeken, maar die halve blik was al genoeg om te weten: “Oh nee, die gaat bij mij komen zitten!” Mijn gedachten waren nog niet koud, of daar zette hij zich neder, schuin voor mij. Ik draaide me wat meer naar het raam toe en keek niet op. De man haalde papieren uit zijn tas en begon daar wat aan te plooien. Ik las voort.
Na een vijftal minuutjes kon ik me niet meer bedwingen: ik bekeek hem wat beter. Mijn eerste indruk meteen bevestigd. Slordige baard, sjofele kleren… het type man waar ik van gruwel. Bovendien ving hij mijn blik. De opkomende rillingen op mijn rug bedwingend, richtte ik mijn ogen weer op mijn blaadjes.
Het korte moment dat ik hem in mij opgenomen had, meende ik echter uit de lay-out van zijn papieren af te moeten leiden dat ik met een Getuige te doen had. Het idee stelde me niet op mijn gemak. Een man die me deed huiveren en die dan nog elk moment zijn mond kon opendoen om me te proberen bekeren. Op een trein. Waar ik niet zomaar af kon springen. Ik gluurde nog even naar de blaadjes die hij nu naast zich gelegd had. De tekst stond ondersteboven, maar daar heb ik me vroeger meer dan genoeg in getraind, zodat ik zonder moeite de boodschap kon lezen. Dat een ongeboren kind ook een leven is en dat abortus dus moord is.
Ik vroeg me af of hij al gezien had wat ik aan het lezen was. Daar zat ik dan, een meisje in een trui uit de jongenscollectie, aan het lezen over een boek over abortus. Had hij zich al een oordeel over me geveld? Ik zou wel de grote zondaar zijn.
Dat stelde me enigzins gerust. Om aan zijn bekeringsquota te komen zou hij zich wel een gemakkelijker slachtoffer uitkiezen. Waarom zo veel energie steken in een ziel die toch al volledig bedorven is? Mijn getob begon zich op een ander probleem te richten:
Wat als die man zijn papiertje in de trein achterliet? Wat als de volgende persoon die dat briefje zag een meisje, een vrouw was, die net abortus heeft gepleegd en er mentaal nog helemaal niet van hersteld is? Had die man zomaar het recht om dat mentale wrak nog meer te ontwrichten?
Net op dat moment kwam de trein aan in het station van Brugge. Plots kwam de man voor me staan, tussen het tafeltje en zijn zetel in. Hij stonk. Het enige wat ik nog kon denken, was: “weg hier, weg van die vieze vent!” Ik glipte tussen de mensen door en in mijn ooghoeken zag ik de man flyeren: op elk tafeltje dat hij voorbijkwam legde hij een briefje, dat voor hem DE waarheid verkondigde, maar dat, met een beetje pech, mensen serieus kan kwetsen.
Even heb ik nog overwogen om de volgende deur weer in te gaan en de briefjes op te halen, maar iets weerhield mij ervan: het zou nog minstens een uur duren eer ik mijn handen kon wassen. Ik zag me genoodzaakt te hopen dat iemand anders ze in de vuilnisbak zou werpen vóór een weerloos slachtoffer ze onder ogen kreeg.