Bloggen is zo stilletjesaan een fenomeen aan het worden. Niemand ontsnapt er nog aan, ook ik niet. En ook u niet, want als u dit aan het lezen bent, bent u duidelijk op een blog terecht gekomen. Mijn blog dan nog! Het is ook de creatieve zielen niet ontgaan dat bloggen steeds populairder wordt, en zij hebben er niets beters op gevonden dan een groot blogspel op touw te zetten. En ook ik doe aan dat spel mee, naar het schijnt, want Maaike was zo vriendelijk om mij met één klik te bombarderen tot deelnemer van deze grote kettingbrief der blogosfeer. Cap ou pas cap?
De regels zijn duidelijk:
REGEL NUMMER 1:
Link the person who tagged you. Check. (cf. supra, om het academisch uit te drukken.)
REGEL NUMMER 2:
Mention the rules in your blog. Wat denkt u dat ik aan het doen ben?
REGEL NUMMER 3:
Tell about 6 unspectacular quirks of yours. cf. infra, om ook de tegenhanger van de hierboven vermelde in elke academische cursus die naam waardig voorkomende term te gebruiken.
REGEL NUMMER 4:
Tag 6 following bloggers by linking them. Elk spel heeft wel een regel die ik zou willen veranderen. Bij deze zet ik de regels naar mijn hand en tag ik er iets minder dan zes. Waarom? cf. infra, voor de verandering.
REGEL NUMMER 5:
Leave a comment on each of the tagged bloggers’ blogs letting them know they’ve been tagged. Simpel.
Cap! Let the game begin! Oh, wacht, we waren al bezig en zitten zowaar al aan regel drie! Zes quirks dus. Even denken. Waarmee zouden we beginnen?
Q1:
Ieder kind heeft wel zijn auto-spelletjes. Vaak komt dat neer op lantaarnpalen tellen (wat ik deed), of voorbijstekende auto’s tellen (en voorbijgestoken auto’s er weer aftrekken) (wat mijn broers deden en wat vaak tot hoogoplopende discussies leidde omdat mijn vader niet snel genoeg reed en ze al gauw de kaap van 100 overschreden). Bij mij kwam er al snel een extra element bij het lantaarnpalen tellen: mijn tenen opheffen elke keer als we een paal passeerden. Later deed ik het niet meer bij palen, maar wel bij de witte streepjes in het midden van de weg. Tenen keihard op de grond drukken als er een streep is, en loslaten als er geen streep is. Je fronst? Probeer het eens, het is niet gemakkelijk! Vaak gaat het snel en op de duur wordt het lastig. Maar probeer nog maar eens te stoppen, want de streepjes blijven komen. Het bleef ook niet bij een kinderspelletje; stiekem betrap ik mezelf er nog steeds op dat te doen.
Q2:
Ik ben de enige bij ons thuis die een vaste plaats heeft aan tafel. Die heb ik mezelf toegeëigend en ik kan er dan ook echt niet tegen als iemand anders daar gaat zitten! Ook in de auto heb ik mijn vaste plaats, links achteraan, en als ik ooit ergens anders moet gaan zitten (behalve vooraan, want daar zit ik graag), is dat met grote tegenzin. Ook in andere auto’s probeer ik meestal die plaats te bemachtigen, vaak door ellenlang te blijven treuzelen totdat iedereen al in de auto zit en mijn plaatsje mij toelacht. Hetzelfde fenomeen heb ik met de kapstokken in onze garage. Ik heb mijn kapstok en als iemand anders daar zijn jas aan hangt, zodat er geen plaats meer is voor de mijne, dan ga ik die jas verhangen. Voor mij is dat de normaalste zaak van de wereld, maar mijn moeder wees me er deze week op dat dat eigenlijk maar raar is. Waarop mijn broer het dan weer leuk vond om míjn jas te verhangen naar een andere kapstok.
Q3:
We hebben thuis verschillende soorten koffielepeltjes. Lelijke en mooie. Vind ik toch. Als ik toevallig een lelijk lepeltje toebedeeld krijg, wissel ik dat subtiel om met een mooi lepeltje van één van mijn tafelgenoten. Mama vindt dat kinderachtig. Ik niet. Dat doet me ook nog denken aan vroeger tijden, toen ik nog af en toe monopoly speelde in gezinsverband. Het was een oud spel, dat mama nog had van bij haar thuis, en sommige van de geldbriefjes waren geplastificeerd. Om de één of andere reden haatte ik die geplastificeerde briefjes; mijn vingers gingen er pijn van doen. Ik hield me dan ook full time bezig met het inwisselen van plastieken briefjes voor gewone en liet het spelverloop aan me voorbijgaan.
Q4:
Wanneer mijn vingers/handen ook pijn gaan doen, is als ik mijn handen wil wassen maar om de één of andere reden niet kan. Ik was mijn handen zo’n 50x per dag. Daartoe horen natuurlijk de gebruikelijke post-toiletbezoek en na-etense wassingen, maar ook nadat ik ergens een stofje heb weggeveegd, nadat ik eventjes aan mijn kous gekomen ben, nadat ik de tafel afgeruimd heb, de vaatwas gevuld heb (en hoewel ik dat vaak meteen na elkaar doe, was ik tussendoor ook zo’n 4 keer mijn handen),… Vaak heb ik zin om mijn handen te wassen nadat ik iemand de hand geschud heb. Enkel als ik aan het lezen ben (behalve bij oude bibliotheekboeken) of tijdens een schaakpartij (wat nochtans érg onhygiënisch is, als je er even bij stilstaat) heb ik niet meteen de behoefte om mijn handen proper te krijgen. Een andere rariteit die ik heb bij het wassen van mijn handjes, is dat die koste wat het kost droog moeten zijn. Als ik mij ’s morgens wil wassen, was ik altijd eerst mijn handen, droog ik die af, en was ik daarna de rest. Wat natuurlijk onzin is, want dan zijn mijn handen weer nat.
Q5:
Ik kan moeilijk tegen lichamelijk contact. Dat was vroeger erger dan nu, en wanneer ik mij niet 100% goed in mijn vel voel (door ziekte of vermoeidheid of wat dan ook), is het duidelijker aanwezig dan wanneer ik me wel goed voel. Dan kan ik bijvoorbeeld niemand per ongeluk raken op straat zonder daarna constant mijn schouder/arm/… te willen afkuisen. Op school vroeger kon ik er niet tegen als mijn schoen raakte aan de schoen van het meisje dat naast me zat. Als dat gebeurde, ging mijn voet pijn doen omdat die, weet ik veel, geïnfecteerd was door de aanraking. Zelfs lichamelijk contact met mensen die ik graag heb, is niets voor mij. Het is pas wanneer ik voor iemand iets speciaals voel (en dat hoeft niet altijd amoureus getint te zijn, bende perverten!), dat ik aanrakingen gemakkelijk verdraag, ja, zelfs koester.
Q6:
Ik ben obsessief. Dat uit zich in zowat alles wat ik doe. Verliefd zijn kan ik zonder problemen meerdere jaren op iemand die ik nooit zie, en dat is dan een full time bezigheid. Op internet moet ik heel veel moeite doen om niet om de 30 minuten de sites te checken die ik bezoek, terwijl die vaak minder dan één keer per dag bijgewerkt worden. Maar vooral op vlak van muziek is mijn obsessiviteit duidelijk. Als kind luisterde ik jarenlang dagelijks uren aan een stuk naar de muziek van Samson en Gert, daarna heb ik een cassette met muziek van Hanson letterlijk kapot gedraaid. Zelfs toen ze kapot was, luisterde ik er nog naar. Later legde ik een collectie Franse muziek aan, en nu houd ik het op Tegan and Sara. Alwaar ik dagelijks enkele uurtjes naar luister. Tot grote frustratie van mijn huisgenoten, want ik ben wel zo altruïstisch dat ik hen met graagte laat meegenieten van al dat moois. Dat zij die muziek niet zo super vinden, vind ik moeilijk om te vatten. Dat obsessieve is ook de reden waarom ik zo goed als nooit naar de radio luister en bij gevolg een leek ben op het vlak van muziekkennis: daar draaien ze míjn muziek niet. Als ik wel eens naar de radio luister en één van mijn liedjes komt erop, dan is mijn enthousiasme moeilijk in te tomen.
Q7 (Ja, waarom stoppen bij 6 als 7 ook kan? Is dat niet een veel mooier getal?):
Ik word enorm rustig van wiegen. Lichtjes vooruit en achteruit, in een gestaag tempo, ongestoord. Vaak betrap ik mezelf daarop tijdens de les of terwijl ik ergens in een groep aan tafel zit, en heel vaak ook tijdens een schaakpartij. Een stap verder gaat het wanneer ik mijn vingertic bovenhaal. Die bestaat eruit van mijn vingers tegen elkaar te tikken: middelvinger tegen middelvinger, daarna de twee vingers ernaast en daarna de uiterste vingers, en zo terug naar het midden, en zo verder, en zo voort. Ook heel rustgevend, maar volgens mij een belachelijk gezicht.
Zo, hopelijk heeft u genoten van de verborgen trekjes van Leisha K. Dan ben ik nu nog een verklaring verschuldigd waarom ik regel 4 niet geheel volgens het boekje opvolg. Het is simpel: ik kan geen 6 bloggers bedenken die ik zou kunnen taggen. Niet dat ik er geen 6 ken, dat niet, maar zij kennen mij niet altijd. Of toch niet goed genoeg. En ik ben een schijtluis als het op sociaal contact aankomt, dus durf ik niemand te taggen die mij niet goed genoeg kent, uit angst dat die rare dingen zal gaan denken, of wat dan ook. Ik ben een stil en verlegen muisje. Wat misschien meteen een 8e quirk van me is, want eigenlijk ben ik ook heel erg aandachtsgeil. Een attention whore, noemt mijn broer me wel eens. Vandaar natuurlijk ook mijn blog, zo krijg ik ook eens aandacht.
Nou ja, het taggen wordt dus heel moeilijk. Maaike heeft mij getagd, dus zij is uit de running. An zou ik met plezier willen taggen, maar het hierboven reeds vermelde obscene Boonse personage was me voor. Dat brengt me bij Sofie, die haar masterproef over de menselijke incarnatie van deze peulgroente schrijft. Haar zou ik wel taggen als zij een blog had, maar ze heeft er geen. Wie sinds kort wel een blog heeft, is een oude schoolvriend van me, Laurens. Bij deze valt hem de eer te beurt door mij getagd te worden, hoewel zijn recensie-blog volgens mij weinig ruimte laat voor idiotieën als dit blogspel. Maar dat is zijn probleem, niet het mijne: ik heb mijn slachtoffer gevonden! Als compensatie voeg ik hem toe aan mijn blogroll. Iets wat ik sowieso nog moest doen.