6u53. Ik word wakker, niet wetende dat het pas 6u53 is. Hoewel ik gisterenavond doodmoe was, ben ik nu klaarwakker. Gewekt door een luid, doordringend en vooral irritant lawaai. Het brandalarm. Het duurt niet lang of ik sta naast mijn bed. Ik weet dat het waarschijnlijk loos alarm is, in die drie jaar hier op kot heb ik het al nog eens meegemaakt. Maar toch, ik moet naar beneden. Voor het geval dat het dit keer toch echt is. En ook omdat het lawaai enkel buiten te verduren is.
Ik kom op de gang, als eerste. Ik ben de gang nog niet uit, of nog twee deuren gaan open. Slaperige gezichten. “Zou het echt zijn? Moeten we nu naar beneden?” Ik open de deur naar de traphal. Rook. Veel witte rook. De deur weer dicht. “Ja, ‘t is echt, heel de traphal rookt.” Mensen druppelen onze gang binnen. Uit hun kamer, maar ook van de andere verdiepingen. Ze durven niet door het rookstuk heen naar buiten. “Is er hier geen nooduitgang, op de tweede verdieping?” Niets te zien…

Uiteindelijk zoeken we ons toch een doortocht door de rook. Ik had immers al iemand naar beneden zien gaan, de eerste keer dat ik de deur opende. Aangezien die jongen nog niet terug was, en we hem niet horen roepen hadden, zou de weg naar buiten wel vrij veilig zijn. In elk geval veiliger dan boven te blijven, in een brandend gebouw.
Stapvoets naar beneden. Veel te traag, maar we zien geen steek. Telkens als ik mijn mond opendoe om adem te halen, pijnlijke steken in mijn keel. Ik gewaar ook een slechte smaak.
Eindelijk beneden. In de hal liggen twee leeggespoten brandblusapparaten. Het begint ons te dagen: gewoon een smerige grap van een paar lolbroeken met een stuk in hun kraag. Toch blijven we buiten staan, niet helemaal zeker. Het volk stroomt toe. Voor het eerst zie ik zo veel van mijn kotgenoten samen. Jammer dat ik mijn lenzen niet inheb.

Na tien minuten horen we sirenes. De mug. Van de andere kant komen de brandweerwagens ook toe. Drie in totaal. En ook nog een ziekenwagen. De brandweerlui stappen uit, groeten elkaar met een handdruk, en staan lummelend naar ons kot te kijken. Ook zij hebben door dat er hier niet veel werk voor hen zal zijn. Één brandweerman speurt het hele kot af, brengt het officiële “niets aan de hand”, en de brandweerwagens druipen af, evenals de 100. Enkel een groepje politieagenten, dat uit het niets lijkt te komen, blijft over.
Het meisje dat gebeld heeft, moet een verklaring afleggen, de rest mag weer naar zijn kamer. Zo zit ik om 7u13 weer veilig op mijn kamer, met enkel keelpijn en een grote nadorst. En een laag “stof” op mijn hoofd, mijn handen en mijn haar.
1 Antwoord tot “Brandalarm”