1 april. “Verzenderkensdag”, weet de Druivelaar ons te vertellen. In mensentaal: “1 apriiiiiil!” En dan eventueel nog een zo raar mogelijk woord dat op apriiiiiiil rijmt er achteraan: kikkerdril, kippenbil, dikke bil… Wat je maar wilt. Of niet wilt.

1 april is niet zo mijn ding. Meestal heb ik er geen zin in om mijn kop te breken op een grappige misleiding, en nog veel minder zin heb ik erin om zelf beetgenomen te worden. Zeker vandaag niet.
Eigenlijk vind ik 1 april een dag voor de kindjes. Een bende op hol geslagen lagere-schoolkinderen die luid lachend plannetjes verzinnen om de mensen eens goed beet te nemen. Wat dan meestal uitdraait op giechelend een telefoonnummer draaien, de adrenaline in je lichaam te voelen pompen als er opgenomen wordt, en dan één of andere scheve zin te mompelen voor je gierend van het lachen de hoorn weer op het toestel gooit.

Één keer hadden mijn vriendinnen en ik een groot plan bedacht: we zouden ’s morgens vroeg naar school komen, allemaal een paar rollen wc-papier meebrengen, naar boven glippen tijdens de ochtendspeeltijd (elk via een andere trap, zodat het niet te veel zou opvallen) en ons klaslokaal met dat toiletpapier “versieren”. We zouden nog wel een paar onschuldige dingen doen, maar ik weet niet precies meer wat.
Het plan begon goed: we waren mooi op tijd op school, gewapend met onze rollen. We splitsen en zochten nonchalant elk onze trap op. Daar aangekomen zagen we echter onze aprilvis in het water vallen. Elke trap werd bewaakt door een leerkracht. Orders van de directrice: geen geintjes in mijn school!

Sindsdien vind ik dus niets meer aan 1 april. Zoveel moeite voor een grap, en dan zorgen die stomme volwassenen ervoor dat je hen niet eens kúnt verschalken…
1 keer was ik echter zelf slachtoffer van een aprilgrap. Mijn moeder was de gelukkige die mij beet wist te nemen. Ik was denk ik 10 jaar, en een heel verlegen meisje. Ik durfde nooit iemand aan te spreken, al helemaal niet als ik hen iets moest vragen. Zelfs de juffrouw op school durfde ik niets te vragen. Zelfs de altijd jolige buurman niet. Het is die buurman die in mijn mama’s grap betrokken werd:

Ze was een taart aan het bakken, mijn moeder. Waarschijnlijk voor een verjaardagsfeestje of zo. Plots bleek ze iets te kort te hebben: een zakje claustrofobie. Of ik er om wilde gaan bij de buren. Tot haar uiterste verbazing trok ik mijn stoute schoenen aan en ging ik aanbellen. Ik dacht dat “een zakje claustrofobie” een zakje gelatine was, al wist ik toen nog niet hoe dat heette. Beteuterd keerde ik terug naar huis met een vuilzak in mijn handen. Ik wist dat ik het verkeerde meegekregen had, maar ik had de buurman niet durven zeggen dat het dat niet was. Lachend legde mijn mama me de grap uit. Als beloning (omdat ik het had durven vragen) en ook wel een beetje als troost, kreeg ik een ijsje. Plots vond ik 1 april zo erg nog niet!
0 Reacties tot “Gefopt!”