Het schijnt -alweer- dat het vandaag gedichtendag is. Dus maak ik van de gelegenheid om een gedicht over gedichten te posten. Het is van Paul Snoek, de dichter waar ik vorig jaar een heel college over gevolgd heb. Ik plaats het zonder commentaar, omdat ik eigenlijk alweer aan het zondigen ben tegen mijn examenstilte. Morgen heb ik mijn laatste examen trouwens, Franse letterkunde, helemaal en volledig over ironie: l’ironie du sort, l’ironie verbale, l’ironie dramatique, l’ironie socratique… en ga zo maar door: “Rien n’est hasard dans l’histoire!”
Ik weet het mensen
Ja, ik weet het nu al jaren en nog langer,
Dat gedichten nutteloze dingen zijn
Zoals de slierten mist die je rondom je huis
Ziet drijven voor de ramen.
Dan is het wel verkieslijker te dromen
Of met gesloten ogen aan wat leuks te denken
Tot je in slaap valt en de stilte niet meer hoort
Die net begon te knagen aan je hart.
Omdat in elk gedicht een beet van pijn
De ijskorst van je eenzaamheid doorboort,
Zoals op een verstilde zondagmorgen
Een schot de stilte verwondt in het woud.
In elk gedicht kan je met ingehouden adem
Geluiden horen die je doen verstijven,
Zoals tijdens een storm in het nachtelijke bed,
Wanneer een losgewaaide pan van je dak rolt.



