Iemand vertelde me dat het week van de poëzie is. Nu blijkt dat dat niet waar is (de week van de poëzie valt in april), maar intussen had ik al zin om hier enkele van mijn favoriete gedichtjes te plaatsen. Dus vanaf nu is de eerste week van december hier de week van de poëzie.
Een eerste gedichtje is van Jotie ‘T Hooft. Over Jotie ‘T Hooft heb ik voor het eerst gehoord toen ik in het vijfde middelbaar zat. Hij sprak me meteen erg aan en ik heb er dan maar een werk over geschreven. Hieronder vind je mijn lievelingsgedicht van Jotie.
En wat dan?
Op een dag zal ik weg zijn en
wat dan? Verdwenen zonder een
teken te geven of te nemen en
het puin dat ik achterlaat is
niet langer lachwekkend.
Want wie zoals ik nooit heeft
gebouwen laat niets achter dan
verwachting en verwarring en
wat dan?
Wellicht in uw herinnering zal ik
stollen verstijven, niet lang meer
blijven maar verbleken tot verleden
en wat toen? Te doen?
‘Het was waar’ zult gij zeggen ‘hij speelde
met woorden als geen ander maar wat
heeft dat te betekenen.’ Zo bleek zal
ik zijn.
In u …
En wat dan …?
Het tweede gedicht heb ik vorig jaar in de les Nederlandse Letterkunde leren kennen. Het is van Rosalie Loveling, de oudste van de twee schrijvende zusjes Loveling. Zij hebben nog één oudere zus die zelf niet schreef, maar wel gekend is als de moeder van Cyriel Buysse. Literair bloed dus in de familie.
Het geschenk
I
Hij trok het schuifken open,
Het knaapje stond aan zijn zij
En zag het uurwerk liggen:
‘Och, Grootvader, geef het mij!’
- ‘Ik zal ‘t u wel eens geven,
Toekomende jaar misschien,
Als gij wel leert en braaf zijt,’
Zeî de oude, - ‘wij zullen zien.’
‘Toekomend jaar!’, zei ‘t knaapje,
‘O, Grootvader, maar dan zoudt
Ge lang reeds kunnen dood zijn;
Ge zijt zoo ziek en zoo oud!’
En de oude stond te peinzen,
Hij dacht: ‘het is wel waar!’
En zijn lange vingeren streelden
Des knaapjes krullend haar.
Hij nam het zilvren uurwerk,
En de zware keten er bij,
En leî ze in de gretige handjes:
”t Komt nog van uw vader,’ sprak hij.
II
Daar was een grafje gedolven;
De scholieren stonden er rond,
En een oude man boog met moeite
Nog eene knie naar de grond.
Het koele morgenwindje
Speelde om zijne haren zacht;
Het gele kistje zonk neder;
Arm knaapje, wie had dat gedacht!
Hij keerde terug naar zijn woning,
De oude vader, en weende zoo zeer,
En lei het zilveren uurwerk
In ‘t oude schuifken weêr.
Tot slot nog één gedicht, om de niet zo literair aangelegde personen onder ons ook iets te geven. Het is een gedicht dat ik in het tweede leerjaar voor het eerst gehoord heb. Ik had de stedelijke voordrachtwedstrijd gewonnen met het gedichtje “Strooi altijd peper” en mocht het op de plaatselijke radio nog eens voordragen. De winnaar van het vijfde leraar zat daar ook, en zijn gedichtje vond ik veel mooier dan dat van mij. Het is geschreven door Hans Dorrestein.
Kwakwadonk
Meneer, wat bent u aan het doen?
Ik knipknip het gras voor mijn fatsoen.
En meneer, wat doet uw vrouw??
Guusje, doe toch niet zo flauw. Vraag niet naar de bekende weg, je ziet het toch, die knipt de heg.
En waarom veegt die man de straat?
Nog één zo’n vraag en ik word kwaad.
En waarom is het hekje stuk?
Jaja tapneuzen Zwitsers huppelkruk.
Meneer,meneer, ik hoor niet wat u zegt!
Jaha Joho, malleberg letterknecht, kiedewiet en hoorndol, wiedewagen oliebol, kwakwadonk, ja blabladus. De groeten aan je grote zus!!
Meneer, waarom doe je toch zo gek?
LIEVEKLEINEHOUJEBEK!!!!!
Van ‘T Hooft hebben wij int middelbaar ook eentje gezien, ‘halfweg de wandeling’ was het denk ik. Vond ik ook wel mooi, maar ik ben niet zo een poëzie-mens
Mijn favorieten zijn ‘Het huwelijk’ (van wie is dat ook alweer ^^) en ‘de tuinman en de dood’ (mijn grootvader vertelde dat altijd :))
‘Het Huwelijk’ is van Willem Elsschot, tenzij je een ander gedicht in gedachten had, natuurlijk.
Leisha K., een blogbericht over poëzie, mooi zo!
“De tuinman en de dood” is blijkbaar van P.N. Van Eyck. Ik had het nog nooit gehoord, maar ‘t is wel grappig:
Een Perzisch Edelman:
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.
Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” -
Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in ‘t cederpark de Dood ontmoet.
“Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
“Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”
Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ‘t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,
Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ‘t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.”
Ik vond “het geschenk” wel aangrijpend!
En dit laatste is wel grappig (dat over de tuinman en de dood) =).