‘t Is voorbij

‘t Is voorbij, die week van de goeiendag! En om eerlijk te zijn, ik ben er niet rouwig om. Een leuk initiatief, dat wel, en hopelijk heeft het iets uitgehaald. Hopelijk zijn de mensen massaal vriendelijker geworden. Hopelijk zijn er mensen aan de praat geraakt toen ze elkaar vrolijk goeiendag wensten, en wie weet, misschien is er op dit eigenste moment wel iets moois aan het bloeien uit die ontmoeting! Jaja, we spreken van de liefde! Hopelijk zijn de mensen die 25 of 25 000 gekregen hebben, er blij mee, kopen ze er iets moois mee en hangen ze het niet aan drank of drugs. Druuuuuuuugs! Druuuuuuuuuugs!! Of hoeren. Of…

goeiedag

Maar ik moet opletten met mijn taalgebruik, anders krijg ik bezoekers over de vloer die rare dingen in zoekmachines intypen, en die dan waarschijnlijk teleurgesteld zijn wanneer ze op mijn blog terecht komen. En ik stel niet graag mensen teleur… Ja hoor, ik heb het al nog gezien. Er staat namelijk een “raar” woord op mijn blog, heel onschuldig bedoeld, met een niet zo rare betekenis in een niet zo raar gedicht. Ik besefte het zelf niet eens. Tot ik gisteren dat woord zag staan tussen de zoekmachinetermen die de jullie, lezers, naar mijn blog geleid hadden. Ja, jullie, allerliefste lezers, hadden dat rare woord in een zoekmachine ingetypt en waren dan teleurgesteld op deze blog beland. Even helemaal van de kaart. Ik hé, niet jullie. Jullie misschien ook, maar daar gaat het nu niet om. Je moet maar geen rare woorden in zoekmachines intikken. Dan kom je vast en zeker nog op raardere dingen dan deze blog terecht. Even helemaal overdonderd. Ik ben er al over hoor, nu. En het woord blijft lekker staan.

NAH!

Genoeg gepraat, tijd om te praten. Neen, ‘t is waar, dat zijn niet mijn woorden. Nou, toch wel, want ik spreek ze uit. Al is dat spreken in dit geval schrijven. Typen eigenlijk. Maar ik heb die woorden geleend. Neen, de woorden niet. Het zijn allemaal heel courante woorden, en courante woorden leen je niet, die zijn van iedereen. Van iedereen en niemand. Ik heb de combinatie van die woorden geleend. Citeren noemt men dat. En als je citeert, dan moet je je bron vermelden. Mijn bron is Wim Helsen, in zijn programma dat helaas afgelopen is. Dat is heel belangrijk, dat je je bron vermeldt, leert mijn promotor me. Zeker in een bachelorproef. Of een scriptie volgend jaar. Want die controleren ze op plagiaat. Maar ook zonder controle moet je je bron vermelden. Dat doen wij veel te weinig, iets doen als je er niet op gecontroleerd wordt.

En dat brengt mij naadloos terug bij mijn onderwerp. Goed hé! Je dacht dat ik aan het afwijken was hé, maar niets is minder waar. Alles was onderdeel van het grotere “plan”. Alles uitgewerkt. Tot in de puntjes.

Mijn onderwerp dus. Wel, ík zeg goeiendag aan de mensen, ook zonder controle! Of eigenlijk: alléén zonder controle. En daarom ben ik opgelucht. Opgelucht dat de week van de goeiedag voorbij is. Ik ben van mijn boeien verlost. Ik heb ze afgeworpen en loop weer rustig knikjes en glimlachjes uit te delen.

huisje

Ja, ik durfde niet meer vriendelijk te zijn op straat, vorige week. Bang dat de mensen zouden denken dat ik het voor de wedstrijd deed. Voor het geld. Maar ik doe het niet voor het geld. Ik doe het voor de mensen, want wie weet, kom ik op een dag een mevrouwtje of een meneertje tegen dat het eventjes niet meer ziet zitten. Een mevrouwtje of een meneertje dat de hele dag eenzaam en alleen in z’n huisje opgesloten zit. En dan komt het mevrouwtje of het meneertje eventjes buiten, en dan is er daar een meisje (of een jongedame, of een mevrouw(tje) als het echt moet) dat haar of hem vriendelijk toelacht. En dan is het mevrouwtje of het meneertje heel eventjes blij, en kan het er weer een paar weken tegenaan, daar eenzaam en alleen in haar of zijn huisje.

Men weet nooit.

Stem op Hasselt!

Mijn restaurant

5 provincies, 5 duo’s, 5 beginnende restaurants.

Het westen van het noorden van ons land is reeds geëlimineerd. Eerst de twee Gentse schoonbroers, wiens ambitie eten te maken “voor het Gentse volk” niet strookte met het concept “toprestaurant”. Daarna het nog veel te prille koppeltje Pieter en Ghislaine, aka “geit van het jaar”, uit de moeder der badsteden. Oostende zal hen niet missen. De VTM-kijkers misschien wel, met alle sensatie die deze verloofden brachten.

Nog 3 te gaan. Antwerpen, winnaars als je hen mag geloven. Leuven, de underdogs. Gevaarlijke underdogs wel, zoals underdogs vaak blijken. En Hasselt. Sympathiek, gezellig, winnaars volgens de publieke opinie.

Yanaika en Stefanie

Gisteren werden de nominaties voor de derde eliminatieronde bekend gemaakt. De laatste eliminatieronde ook, voor de finale. Hasselt en Antwerpen moeten het tegen elkaar opnemen. Leuven, die nochtans al twee keer genomineerd was (en meer kan niet, want er zijn nog maar twee eliminatierondes geweest), zit rechtstreeks in de finale.

Proficiat Jelle en Micheline. Ik ben een goede verliezer, ik wens de winnaars proficiat. Al is het met een wrang gevoel. Misschien ben ik dan toch niet zo’n goede verliezer. Misschien heb ik gelijk. Wie zal het zeggen? Wie zal het weten? Joost misschien? Proficiat Leuven, hoewel ik het niet eerlijk vind dat jullie de jury een maître voorschotelden die niet van jullie is. Die -geef zelf maar toe- alles tot in de puntjes voor jullie geregeld heeft (een jurytafel kiezen, een kelner aanstellen voor die tafel, in de zaal rondballaderen als maître d’hotel…). Maar binnenkort moeten jullie het zelf weer doen. En hoe gesmeerd zal het dan lopen?

Maar zoals ik al zei, misschien ben ik gewoon een slechte verliezer. Daar valt iets aan te doen: als je niet goed bent in verliezen, dan moet je winnen! Laten we ons op winnen concentreren.

Ik doe niet mee aan Mijn Restaurant. Gelukkig maar , want dat zou betekenen dat ik Ghislaine was (aangezien ik West-Vlaming ben). En ik heb geen ambities om geit te worden. Niet van het jaar, niet van de maand, hoogstens van de dag als het echt moet en ik een slecht dagje heb. Maar als ik niet meedoe, hoe kan ik dan winnen? Hoe kan een supporter van Anderlecht winnen als hij niet zelf speelt? Inderdaad, omdat hij supporter is. Als “zijn ploeg” wint, dan wint hij ook! (Al zal het dan dit jaar niet zijn, helaas.)

Exquisa

Wel, ik ben supporter van de Exquisa, het restaurant van de sympathieke Hasseltse meisjes Yanaika en Stephanie. Dus als ik wil winnen, moet Hasselt winnen. Hasselt moet niet alleen winnen omdat ik wil winnen hoor, Hasselt moet winnen omdat ze het best zijn. Het sympathiekst, het gezelligst, het … En ze zijn goed ook. Ze brengen kwaliteit, ze hebben nog veel groeipotentieel, en zo verder en zo voort. Dat zijn niet mijn woorden, die komen van de jury, van de concurrerende kandidaten, van vele kijkers, van iedereen.

Maar als Hasselt moet winnen, dan moeten ze in de finale geraken. En dan moeten ze dus meer stemmen halen dan Antwerpen. Dat lijkt niet echt moeilijk, want Antwerpen is arrogant. En nee, Antwerpse lezers, ik heb het niet op jullie, ik heb het op het deelnemersduo. En op de kok.

Waar op Yanaika’s gezicht enkel medelijden te lezen valt wanneer Antwerpen door de jury de grond ingeboord wordt, heeft Antwerpen enkel leedvermaak bij ieder puntje van kritiek dat Hasselt over zich heen krijgt. Met de bijna uitsluitend positieve commentaar op hun Leuvense concurrenten, kon geen van beiden lachen, maar hoe zou je zelf zijn als het besef steeds meer groeit dat je laatste week wel eens geslagen zou kunnen zijn? Dat de underdog je geklopt heeft?

Dus Hasselt zal de finale wel halen. Als Vlaanderen correct stemt. Als niet alle Hasseltfans op hun lauweren gaan rusten. Ik duim alvast met de meisjes mee! En finales, die mag je niet verliezen. Dus dan duim ik nog harder. Of op z’n minst even hard.

Zalig, die zon!

Ik heb de zon gezien, daarboven in de hemel, de zon gezien, daarboven in de lucht!

Al dagen kriebelt het: ik wil naar buiten! Met plezier heb ik dit weekend enkele uurtjes geleerd, in plaats van aan mijn toch net iets dringendere bachelorproef te werken. Als je kunt kiezen tussen buiten in het zonnetje en binnen aan een warmte gevende laptop, dan is de keuze snel gemaakt.

Dus heb ik dinsdag besloten om vandaag enkele uurtjes in het Zuidpark te gaan werken. Ik had daar enkele weken geleden voor het eerst door gelopen, en ik vond het wel een aantrekkelijke plaats. Toen zat het er echter nog niet vol studenten. Nu wel. Het park is er niet minder aantrekkelijk op geworden, integendeel. Studerende studenten, luilekkerende studenten, genietende studenten. Een cursus in de hand, een stilo in de mond of een drankje in de hand, een ijsje in de mond… verscheidenheid maakt blij!

Ze schijnt voor jou en mij, daarboven in de hemel, voor jou en mij, daarboven in de lucht!

Daar zat ik dan, te werken aan mijn peer-feedback voor Franse taalvaardigheid. In mensentaal: tekstjes te evalueren van een dertigtal medestudenten. Dat dat betekent dat dat dertigtal medestudenten ook mijn tekstje moet evalueren, was eerst een schok; ik had dit tekstje niet geschreven met het oog op openbaarheid. Maar van die schok ben ik al lang hersteld: het zonnetje lonkt!

Het geroezemoes om me heen bracht me in de ideale stemming om poëtisch literaire tekstjes te lezen. De zalige zon zorgde voor dat tikkeltje plezier dat van werken ontspannen maakt. De mini-ratjes op de schouders van mijn toevallige buurman, en even later ook op mijn eigen arm, gaven me de nodige sensatie om van een gewone donderdag een memorabele namiddag te maken. Het sinaasappel-aardbei-ZESTdrankje op weg terug naar mijn kot, was de kers op de taart. De perfectie dicht benaderd.

Na anderhalf uurtje moest ik er dan toch een eind aan maken. De plicht riep. Een bachelorpaper schrijft zichzelf niet. Mijn corpus zal zich ook niet uit zichzelf analyseren. Zinnen zijn geen mensen, die zichzelf vrijwillig binnenstebuiten keren. Helaas, pindakaas! Dan zullen wij ons er maar weer over buigen. We sluiten ons op in ons kamertje, sluiten de zon uit ons leven en zwoegen nog enkele uurtjes. Maar we zijn niet bedroefd, want binnenkort wacht ons de zomervakantie, en hopelijk ook

De zon, de zon, de zon!

Karakter

Als je veel werk hebt voor school, en je wilt ook nog wat aan je conditie werken, en daarnaast heb je natuurlijk ook nog zin in ontspanning, dan heb je vooral nood aan één ingrediënt: KARAKTER. Maar laat dat nu net zo moeilijk zijn, karakter hebben. Het houdt nooit op. Als je op een bepaald moment zin hebt om naar een filmpje te kijken, en je slaagt erin om ondanks die zin tóch te blijven werken, dan heb je karakter. Maar als je zin blijft hebben in dat filmpje, dan moet je om de 5 minuten karakter hebben, en een zwak moment is dan niet ver weg. Een uur aan een stuk werken, is dan een groot succes. Vandaar dat ik, als ik af en toe eens mijn uren bijhoud, met kwartiertjes werk. Elk kwartiertje dat ik gewerkt heb, zet ik een kruisje. En ja, af en toe werk ik maar een kwartiertje met de keer!

Wie zijn dan zo de boosdoeners? De vijanden van het karakter?

De televisie, vooral na het avondmaal. En dan vooral de mensen die ook naar de televisie kijken. Behalve op dinsdag- en donderdagavond, dan is het echt de televisie die voor boeman speelt.

televisie

De computer, met het internet natuurlijk. De hele dag door. Van ’s morgens vroeg, als je opstaat en de knop van je laptop indrukt, tot ’s avonds laat. Vaak laat je er je slaap voor. En als je zit te studeren of te werken, dan gaan je gedachten steeds weer naar die computer: “Oh, ik ben nog vergeten dit op te zoeken, oh, ik zou wel eens kijken naar die site, oh, zou ik een mail hebben, enzovoort.”

DVD’s. Als je aan de verleiding om naar een filmpje te kijken, toegeeft, dan ben je meteen heel veel tijd kwijt. en ook je zin om te werken is helemaal weg natuurlijk.

En nog zo veel meer. Als je geen zin hebt om te werken, dan is elk excuus goed!

Maar nu zou ik toch beter weer naar mijn bachelorpaper weerkeren. Hij ligt daar zo lief op mij te wachten, maar ja, mijn blog riep mij zo aanlokkelijk…

Brandalarm

6u53. Ik word wakker, niet wetende dat het pas 6u53 is. Hoewel ik gisterenavond doodmoe was, ben ik nu klaarwakker. Gewekt door een luid, doordringend en vooral irritant lawaai. Het brandalarm. Het duurt niet lang of ik sta naast mijn bed. Ik weet dat het waarschijnlijk loos alarm is, in die drie jaar hier op kot heb ik het al nog eens meegemaakt. Maar toch, ik moet naar beneden. Voor het geval dat het dit keer toch echt is. En ook omdat het lawaai enkel buiten te verduren is.

Ik kom op de gang, als eerste. Ik ben de gang nog niet uit, of nog twee deuren gaan open. Slaperige gezichten. “Zou het echt zijn? Moeten we nu naar beneden?” Ik open de deur naar de traphal. Rook. Veel witte rook. De deur weer dicht. “Ja, ‘t is echt, heel de traphal rookt.” Mensen druppelen onze gang binnen. Uit hun kamer, maar ook van de andere verdiepingen. Ze durven niet door het rookstuk heen naar buiten. “Is er hier geen nooduitgang, op de tweede verdieping?” Niets te zien…

Brand

Uiteindelijk zoeken we ons toch een doortocht door de rook. Ik had immers al iemand naar beneden zien gaan, de eerste keer dat ik de deur opende. Aangezien die jongen nog niet terug was, en we hem niet horen roepen hadden, zou de weg naar buiten wel vrij veilig zijn. In elk geval veiliger dan boven te blijven, in een brandend gebouw.

Stapvoets naar beneden. Veel te traag, maar we zien geen steek. Telkens als ik mijn mond opendoe om adem te halen, pijnlijke steken in mijn keel. Ik gewaar ook een slechte smaak.

Eindelijk beneden. In de hal liggen twee leeggespoten brandblusapparaten. Het begint ons te dagen: gewoon een smerige grap van een paar lolbroeken met een stuk in hun kraag. Toch blijven we buiten staan, niet helemaal zeker. Het volk stroomt toe. Voor het eerst zie ik zo veel van mijn kotgenoten samen. Jammer dat ik mijn lenzen niet inheb.

Brandblusapparaat

Na tien minuten horen we sirenes. De mug. Van de andere kant komen de brandweerwagens ook toe. Drie in totaal. En ook nog een ziekenwagen. De brandweerlui stappen uit, groeten elkaar met een handdruk, en staan lummelend naar ons kot te kijken. Ook zij hebben door dat er hier niet veel werk voor hen zal zijn. Één brandweerman speurt het hele kot af, brengt het officiële “niets aan de hand”, en de brandweerwagens druipen af, evenals de 100. Enkel een groepje politieagenten, dat uit het niets lijkt te komen, blijft over.

Het meisje dat gebeld heeft, moet een verklaring afleggen, de rest mag weer naar zijn kamer. Zo zit ik om 7u13 weer veilig op mijn kamer, met enkel keelpijn en een grote nadorst. En een laag “stof” op mijn hoofd, mijn handen en mijn haar.

Shout!

Er moet iets van mijn lever. En waar kan dat beter dan op mijn blog, want daar dient een blog toch voor?

Ik sprak vroeger al eens over Magnus Carlsen en Sergey Karjakin, 2 wonderkinderen die het op jonge leeftijd al ver geschopt hebben in de schaakwereld. Heel ver. Beiden, intussen supergrootmeesters, zijn in de eerste ratinglijst van dit jaar de top 15 van de wereld binnengetuimeld. Carlsen op 13, Karjakin op 14, 1 plaats en 1 punt achter zijn Noorse leeftijdsgenoot. Een verwaarloosbaar verschil dus.

Karjakin

Maar… We zijn nu 3 maanden ver in 2008, en wat hebben we dit jaar gezien? Carlsen mocht meedoen in de A-groep van het Corus tornooi, waar hij vorig jaar laatste eindigde. Karjakin, die vorig jaar goed meespeelde in die groep, kreeg geen uitnodiging in de bus. Carlsen mocht ook in Linares/Morelia, het tweede Grand Slamtornooi, meevechten. Alweer mocht Karjakin op droog zaad zitten.

Rating Chart Magnus Carlsen

Rating chart Carlsen

Het gevolg? Wonder Boy Carlsen stijgt massaal veel in elo en vliegt in de april-lijst de top 5 binnen. Wat een talent! Deze jongen is echt wereldtop! De vraag is nu nog: wanneer wordt Magnus the Magnificient wereldkampioen?

Carlsen

En Karjakin? Geen enkele officiële partij heeft de jonge Oekraïener gespeeld in de laatste 3 maanden. Geen enkel punt is hij dan ook gestegen. Daar staat hij, op plaats 13 nu, en hopeloos veel achter zijn leeftijdsgenootje, dat in zijn 27 partijen tegen toppers 32 punten gestegen is, en wat meer is, onnoemelijk veel ervaring en maturiteit opgedaan heeft. Hoe haal je dat ooit in?

Rating Chart Sergey Karjakin

Rating chart Karjakin

En oké, het moet gezegd, Carlsen heeft bewezen dat hij de kansen die hij krijgt, waard is. Op Corus werd hij gedeeld eerste, in Linares/Morelia alleen tweede. Niemand hoort mij zeggen dat hij niet goed is! Maar waarom zou Karjakin die kansen niet waard zijn? Waarom mag hij niets bewijzen? Vriendjespolitiek? Sorry Karjakin, de schaakwereld wil je blijkbaar niet. Probeer het eens in een andere sport, daar zal je misschien meer succes hebben!

Of zie ik het verkeerd?

Het programma van Wim Helsen

Elke vrijdag op Canvas, zo rond 20u40: Het programma van Wim Helsen. Gegarandeerd tranen in de ogen van het lachen, hier in de huiskamer. Elke week ontvangt Wim Helsen, bij het grote publiek vooral bekend sinds zijn rubriek Vrienden van de poëzie in Man bijt Hond, 5 gasten in 5 kamertjes. Vooraf weet hij niet wat hem te wachten staat en minstens de helft van zijn bezoekjes eindigen in een fiasco.

Wim Helsen

Co-presentatrice is Sien Eggers, door mij (en met mij waarschijnlijk velen) voordien enkel gekend als Prot(p)ut uit Het Eiland. Een ware ontdekking! Haar droge manier van doen is volledig complementair met Wims “normale zelf”. Ze laat zich niet doen, is niet de grijze bijfiguur maar een volwaardige gesprekspartner, iets wat niet altijd gemakkelijk is bij Wim Helsen, denk ik.

Zie hier het allereerste kamertje van de allereerste aflevering:

Vind je het niet zo hilarisch als je eventueel verwacht had na mijn lovende woorden, bijt je dan door je teleurstelling en zap vrijdag gewoon rond 20u40 naar Canvas, want het wordt steeds beter!

Knacks canon van de Vlaamse literatuur

Vandaag in de Knack: De top 50 van de Vlaamse literatuur. Als studente Nederlands ben ik natuurlijk geïnteresseerd: Wat staat erin? Wat staat er niet in? Wanneer ik het lijstje overloop, ben ik verbaasd hoeveel werken ik al gelezen heb - om van het aantal werken waar ik al van gehoord heb, maar te zwijgen; daar ben ik immers minder verrast over na 3 jaar Nederlandse literatuurgeschiedenis.

Op 1 staat Louis Paul Boon, met De Kapellekensbaan. Dat heb ik nog niet gelezen, maar het staat me hoogstwaarschijnlijk volgend jaar wel te wachten.

 Op 6 kom ik het eerste werk tegen dat ik gelezen heb. Bezette stad, van Paul van Ostaijen. Een mooi werk.

Bezette stad

 Van Guido Gezelle heb ik ook wat moeten lezen. Gedichten, staat er in de Knack, en dat blijkt een verzamelnaam te zijn van 4 dichtbundels, waaronder Kerhofblommen. Nou, dan begrijp ik niet wat hij hier op de 8ste plaats komt doen, want ik vond er niets aan!

 Op 11 vinden we De man die zijn haar kort liet knippen, van Johan Daisne, een boek dat ik met heel veel plezier gelezen heb. Ik moet potentiële lezers wel waarschuwen: uit discussies tijdens de les blijkt dat lang niet iedereen dit boek kon smaken!

Elias, of het gevecht met de nachtegalen van Maurice Gilliams vind ik overroepen. Het zit goed ineen, want naar het schijnt is de vorm heel bijzonder, maar wat het verhaal betreft, ben ik niet overtuigd van deze 12e plaats. Lelijk is het niet, maar het kon mij niet boeien. Hoewel het boekje maar een 100tal bladzijden telt, heb ik moeite moeten doen om het uit te lezen.

 Op 15 staat Van den Vos Reynaerde, geschreven door “Willem, die Madoc maekede”. Ik heb dit vehaaltje in het Middelnederlands gelezen, en zal binnenkort een hoofdstuk van haar Franse moeder Le Roman de Renart lezen in het Oud-Frans.

Over Paul Snoek, die op 25 terug te vinden is, heb ik vorig jaar een heel semester les gekregen. Ik heb dan ook heel veel van zijn gedichten gelezen, en op het einde wist ik hem wel te smaken.

Ook van Richard Minne (26) heb ik vorig jaar een bundel gelezen en besproken.

Jotie T’ Hooft staat ook in de top 50 met Junkieverdriet. Deze nummer 28 is mijn favoriet, dat kon je hier al lezen.

Jotie T' Hooft

Karel ende Elegast (30) en Beatrijs (32) behoorden tot de verplichte lectuur in mijn eerste jaar aan de UGent. Elckerlyc (35) in het tweede jaar. Allemaal in hun oorspronkelijke, Middelnederlandse versie weliswaar.

 Ik was verbaasd toen ik Xanthippe van Paul Lebeau op 38 zag staan. Dat boek heb ik ooit eens gewonnen, en toen ik het las, oversteeg het mijn verwachtingen. Ik vond het echt mooi! Maar ik heb nooit geweten dat het boek zo bekend was.

Naast een Top 50 van dode auteurs, vind je ook een Tip 10 in de Knack. Van deze Tip 10 heb ik slechts één boek gelezen: Wit is altijd schoon, van Leo Pleysier. Speciaal, maar mooi.

Gefopt!

1 april. “Verzenderkensdag”, weet de Druivelaar ons te vertellen. In mensentaal: “1 apriiiiiil!” En dan eventueel nog een zo raar mogelijk woord dat op apriiiiiiil rijmt er achteraan: kikkerdril, kippenbil, dikke bil… Wat je maar wilt. Of niet wilt.

1 april

 1 april is niet zo mijn ding. Meestal heb ik er geen zin in om mijn kop te breken op een grappige misleiding, en nog veel minder zin heb ik erin om zelf beetgenomen te worden. Zeker vandaag niet.

Eigenlijk vind ik 1 april een dag voor de kindjes. Een bende op hol geslagen lagere-schoolkinderen die luid lachend plannetjes verzinnen om de mensen eens goed beet te nemen. Wat dan meestal uitdraait op giechelend een telefoonnummer draaien, de adrenaline in je lichaam te voelen pompen als er opgenomen wordt, en dan één of andere scheve zin te mompelen voor je gierend van het lachen de hoorn weer op het toestel gooit.

telefoon spelletje

Één keer hadden mijn vriendinnen en ik een groot plan bedacht: we zouden ’s morgens vroeg naar school komen, allemaal een paar rollen wc-papier meebrengen, naar boven glippen tijdens de ochtendspeeltijd (elk via een andere trap, zodat het niet te veel zou opvallen) en ons klaslokaal met dat toiletpapier “versieren”. We zouden nog wel een paar onschuldige dingen doen, maar ik weet niet precies meer wat.

Het plan begon goed: we waren mooi op tijd op school, gewapend met onze rollen. We splitsen en zochten nonchalant elk onze trap op. Daar aangekomen zagen we echter onze aprilvis in het water vallen. Elke trap werd bewaakt door een leerkracht. Orders van de directrice: geen geintjes in mijn school!

trap bewaakt

Sindsdien vind ik dus niets meer aan 1 april. Zoveel moeite voor een grap, en dan zorgen die stomme volwassenen ervoor dat je hen niet eens kúnt verschalken…

1 keer was ik echter zelf slachtoffer van een aprilgrap. Mijn moeder was de gelukkige die mij beet wist te nemen. Ik was denk ik 10 jaar, en een heel verlegen meisje. Ik durfde nooit iemand aan te spreken, al helemaal niet als ik hen iets moest vragen. Zelfs de juffrouw op school durfde ik niets te vragen. Zelfs de altijd jolige buurman niet. Het is die buurman die in mijn mama’s grap betrokken werd:

ijsje

Ze was een taart aan het bakken, mijn moeder. Waarschijnlijk voor een verjaardagsfeestje of zo. Plots bleek ze iets te kort te hebben: een zakje claustrofobie. Of ik er om wilde gaan bij de buren. Tot haar uiterste verbazing trok ik mijn stoute schoenen aan en ging ik aanbellen. Ik dacht dat “een zakje claustrofobie” een zakje gelatine was, al wist ik toen nog niet hoe dat heette. Beteuterd keerde ik terug naar huis met een vuilzak in mijn handen. Ik wist dat ik het verkeerde meegekregen had, maar ik had de buurman niet durven zeggen dat het dat niet was. Lachend legde mijn mama me de grap uit. Als beloning (omdat ik het had durven vragen) en ook wel een beetje als troost, kreeg ik een ijsje. Plots vond ik 1 april zo erg nog niet!

Ja, de Hugo verdient hier ook een vermelding

 De Grote Man van de Belgische literatuur koos ervoor om op een uurtje na exact 21 jaar na mijn geboorte te sterven. Het minste dat ik dan kan doen, is hem hier eventjes vermelden.

Hugo Claus

Ik ga jullie hier niet vervelen met een ellenlange biografie van de heer Claus, die kan je elders wel lezen. Ook zal ik geen werken van hem bespreken, om de eenvoudige reden dat ik geen werken van hem gelezen heb. Ik heb enkel het toneel Vrijdag gezien, en hoewel ik het wel kon smaken, vond ik de uitvoering niet zo super.

Het enige wat jullie van mij krijgen, is een gedicht. De keuze van het gedicht lag voor de hand: als trotse inwoner van de meest westelijk gelegen provincie van ons land, koos ik voor West-Vlaanderen:

Dun lied donkere draad
land als een laken
dat zinkt.

Lenteland van hoeven en melk
en kinderen van wilgehout.

Koorts en zomerland wanneer de zon
haar jongen in het koren maakt.

Blonde omheining
met de doofstomme boeren bij de dode haarden
die bidden ‘Dat God ons vergeve voor
wat hij ons heeft aangedaan’.

Met de vissers die op hun boten branden
met de gevlekte dieren de schuimbekkende vrouwen
die zinken.

Land, gij breekt mij aan. Mijn ogen zijn scherven.
Ik in Ithaka met gaten in mijn vel,
ik leen uw lucht in mijn woorden.
Uw struiken uw linden schuilen in mijn taal.

Mijn letters zijn: West-Vlaanderen duin en polder.

Ik verdrink in u,
land. gij wordt een gong in mijn schedel en soms
later in de havend
een kinkhoorn: mei en kever. duistere lichte
aarde.

Volgende Pagina »


Volg je neus,

dan kom je er wel!

Jij bent bezoeker

  • 12,518

Kalender

mei 2008
M D W D V Z Z
« Apr    
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
262728293031