“Kleintje,” zei de vlinder tegen de schattige pinguïn, “ik moet je iets vertellen.” De pinguïn was één en al oor. Nieuwsgierig was ze wel, en als de vlinder haar iets te vertellen had, dan moest het wel belangrijk zijn. Hoe mooi de vlinder ook was, het was een dier van weinig woorden. “Je moet wel beloven,” hervatte de vlinder fladderend, “dat je me niet zult uitlachen.” De nieuwsgierigheid van de pinguïn werd nog meer geprikkeld, en onder het wit-zwart van haar huid vocht een zweem van rood zich een weg naar haar wangen. Was het enkel de opwinding om wat zou volgen, of was er meer? De vlinder merkte de blos op de wangen van haar dikke vriendin niet op, zij was zelf maar wat blij dat haar eigen kleurenpalet de zenuwen camoufleerde die haar vleugels deden trillen. “Ik denk,” mompelde ze snel, “datikvanjehou”. Het duurde een seconde voor de pinguïn had begrepen wat haar oren hadden gehoord, en nog een beetje langer voor haar hart het durfde te geloven. Een eeuwigheid voor de vlinder, die niets liever zou doen dan weg te fladderen. Tot de pinguïn jubelend met haar vleugels begon te klapperen. “Ik ook!” riep ze vrolijk uit. “Ik zie je supergraag! Je bent zo mooi en lief en slim, en als ik kon, dan bleef ik altijd bij jou!” De vlinder voelde tranen in haar ogen springen van ontroering. “Maar dat kan je toch?” Ze ging op de schouder van de pinguïn zitten, en samen trokken ze verder. Gelukkiger dan ooit.